Een blokje om met de neus van een hond of de oren van een blinde

Een Nederlandse stad op een doordeweekse ochtend klinkt naar fietsen. Fietsbellen? Nee, want bijna niemand belt. Luister. Zssjsssjt. Wielen over natte straat. Kbrtkbrtkbr – een stationsfiets met loszittend achterspatbord. En vaak, veel vaker dan je had gedacht – een zwaar klingkrringkling. Dat zijn de fietskettingen die worden vastgezet dan wel losgehaald.

Het is gemakkelijk. Besluiten om iets waar te nemen waar je, al die tientallen keren dat je datzelfde stuk straat liep, nooit aandacht voor had. En dan waar te nemen.

Hetzelfde bevredigende gevoel zocht psycholoog en schrijver Alexandra Horowitz bij het schrijven van On looking (recent vertaald als Met andere ogen, uitgeverij Balans). Horowitz, die in Manhattan woont, onderzocht in haar boek wat aandacht betekent.

De aanpak van haar onderzoek is even simpel als briljant: ze ging een blokje om. Ze wandelde zoals in het dagelijks leven, maar dan vergezeld van iemand met een andere blik. Haar zoontje van anderhalf, haar hond, een bioloog, een letterontwerper, een blinde. Zij zagen wat Horowitz zelf niet zag. Het werden elf wandelingen in even zoveel hoofdstukken, de meeste tussen de hoogbouw van centraal New York.

Horowitz genoot van elk detail, of wekt althans de indruk dat ze dat deed. De bioloog liet Horowitz kennismaken met plantengallen en de raspsporen van naaktslakkentanden. De letterontwerper wees verrukt op een reclamebord met een Q. Het pootje van de Q wees enkel naar binnen.

Horowitz noteert, associeert en maakt zo elke wandeling tot een journalistieke reportage. Ze is grappig, goed gedocumenteerd, ze geeft in terzijdes volop uitleg over de psychologische theorieën rond aandacht en waarneming. En ze beschrijft haar ervaringen in het mooiste Engels dat je in wetenschappelijke non-fictie aantreft. „You hear the foot scrapers and scuffers coming; and you can smell the perfumed or smoking brushing by. You hear the suspiration of a bag strapped across and banging against the body. The corduroyed.”

Het interessantst is het tweede hoofdstuk. Ze neemt haar zoontje Ogden mee voor een wandeling – om meteen te merken dat „een ‘wandeling’ voor mijn peuter vaak over niet-wandelen gaat”. Voor het jongetje betekent wandelen ‘het onderzoeken van oppervlakken en texturen’ en ‘het uitproberen van diverse bewegingsvormen’.

Wandelend met de peuter vertelt ze over het leerproces van pasgeborenen. Eerst is de wereld een multizintuiglijk woud van kleuren, vormen en geluiden; door onderzoek à la Ogden leert de peuter de wereld onder te verdelen in objecten. En dat betekent óók dat het kind voortaan – helaas – steeds meer zal waarnemen als een volwassene, met aandacht voor sommige zaken en blind voor de rest.

Het boek heeft één algemeen nadeel en één dat de Nederlandse lezer treft. Om met het laatste te beginnen: het boek gaat over New York. De wolkenkrabbers die voor rotsvogels een landschap van ‘stedelijke kliffen’ vormen, zijn in ons land schaars. Evenmin zijn onze steden rijk aan verstopte wasberen of staande brandkranen – en zij hebben geen fietsbanden op klinkertjes.

Maar ook in algemene zin zijn niet al Horowitz’ waarnemingen interessant voor de buitenstaander. De arts die in menige voorbijganger een dreigend knieprobleem of een chronische rugblessure zag, was ongetwijfeld vermakelijk gezelschap, maar had in het boek gemist kunnen worden. On looking laat zich niet in één keer lezen. Af en toe een hoofdstuk. En dan naar buiten.

Hester van Santen