De man die Armstrong verdedigde

De omstreden voorzitter van de internationale wielerunie (UCI) hoopt volgende week ondanks alle tegenkrachten na acht jaar herkozen te worden. Hij doet weinig tegen doping, zeggen zijn vele criticasters.

In een pub in Dublin zat Anthony Moran, destijds vicevoorzitter van de Ierse wielerbond, in december 2008 een biertje te drinken toen Pat McQuaid binnenkwam. De voorzitter van de internationale wielrenunie UCI had op dat moment al te maken met diverse dopinggevallen in zijn sport. De Italiaanse klimmers Riccardo Riccò en Leonardo Piepoli zaten een schorsing van twee jaar uit nadat ze waren betrapt op gebruik van epo.

Moran, die zich al jaren ergerde aan het slappe optreden van de UCI tegen dopingzondaars, besloot op McQuaid af te stappen, vertelt hij telefonisch vanuit Dublin. „Ik zei tegen hem, doelend op Riccò en Piepoli: get them fuckers out of our sport! En wat gebeurt er? Een maand later maakt Lance Armstrong, de grootste bedrieger van allemaal, zijn comeback.”

Als baas van de UCI is McQuaid de machtigste man in het internationale wielrennen. Zijn organisatie bepaalt de regels, promoot de sport, controleert op doping, organiseert wedstrijden en bepaalt welke ploegen worden toegelaten tot de belangrijkste wedstrijden van het jaar.

Wanneer de UCI-voorzitter een wielerkoers bezoekt, voelt hij zich als een vis in het water. Handje schudden hier, bilateraaltje daar. In de Tour of bij een klassieker. En vooral bij de WK – komende week in Florence – de enige door de UCI zelf georganiseerde ‘hoogmis’ van het wielerseizoen. McQuaid kent de bondscoaches, vaak oud- renners met wie hij zelf nog fietste. Hij palmt charmant bestuurders van de landelijke bonden in, toch al goed gestemd op hun jaarlijkse WK-uitje. Hoe onbeduidender het land, hoe langer McQuaid de tijd neemt. Elke stem telt als je de baas wil blijven.

Pat McQuaid is tegelijk de meest omstreden sportbons van het afgelopen jaar. Van alle wereldleiders in de sport ondervindt hij de meeste kritiek, misschien op Fifa-baas Sepp Blatter na. De crisis waarin het wielrennen door de zaak-Armstrong is terechtgekomen, is een smet op de carrière van de negende UCI-voorzitter sinds 1900 . Nergens anders bleek de recordkampioen een fraudeur. En de Union Cycliste Internationale, de bond die McQuaid sinds 2005 leidt, heeft het volgens de critici allemaal laten gebeuren.

Nu wil de Ier, die al acht jaar op zijn troon zit, ondanks de hevige kritiek herkozen worden. Is hij de man om het wielrennen weer geloofwaardig te maken?

Pat McQuaid (Dublin, 1949) was een bescheiden wielrenner in de jaren zeventig. Twee keer op rij winnaar van de Tour of Ireland, wat hem enige landelijke bekendheid opleverde. In 1975 nam hij, samen met onder anderen de later beroemd geworden Sean Kelly, deel aan een wedstrijd in Zuid-Afrika. Dat was destijds strikt verboden vanwege het Apartheidsregime. Voor straf werden McQuaid en Kelly levenslang uitgesloten van deelname aan de Olympische Spelen.

Als bestuurder had McQuaid meer succes. In 1998 deed hij van zich spreken toen de Tour de France op zijn initiatief van start ging in Dublin. In 2005 werd hij opvolger van zijn Nederlandse vriend Hein Verbruggen, die in zijn veertien jaar als UCI-voorzitter was uitgegroeid tot de verpersoonlijking van de arrogante sportbons. Zijn fans bewierookten Verbruggen als de man die van een kleine, West-Europese sport een mondiaal evenement wist te maken. Zijn critici zetten hem weg als autoritair en dictatoriaal.

Verbruggen zette alles op alles om zijn vertrouweling McQuaid benoemd te krijgen. In een rellerige sfeer, met rechtszaken tegen andere kandidaten, kreeg Verbruggen zijn zin. McQuaid benoemde hem prompt tot erevoorzitter voor het leven van de UCI.

McQuaid erfde de dopingcultuur, die onder Verbruggen een hoge vlucht had genomen. In de jaren negentig had epo zijn intrede gedaan in het peloton. Door de hematocrietwaarde – het aandeel van rode bloedcellen in het bloed – kunstmatig te verhogen, vergrootten renners hun uithoudingsvermogen.

Van de UCI werd een leidende rol verwacht in het bestrijden van doping. Maar er waren nog geen testen om epo op te sporen. Verbruggen was vooral bezorgd over de gezondheid van de renners. Dat was niet geheel ten onrechte: jaren later verklaarde de Belgische verzorger Jef d’Hont dat het bloed van de Deense renner Bjarne Riis in de Tour de France van 1996 slijmige stroop was geworden, zo dik dat hij elk moment kon overlijden aan een hartstilstand.

Verbruggen maximeerde de hematocrietwaarde op 50 procent. De natuurlijke waarde bij mensen is ongeveer 44 tot 46 procent. Na de instelling van de limiet bleven veel sporters epo gebruiken, zij het dat ze ervoor zorgden dat ze bij controles net onder de 50 bleven.

Bij zijn aantreden verklaarde McQuaid „de oorlog aan de doping”. De UCI kwam met een antidopingverklaring die alle renners moesten ondertekenen om deel te mogen nemen aan de Tour de France. Wie toch werd betrapt, werd twee jaar geschorst en moest een jaarsalaris terugbetalen. Ook wilde McQuaid af van medische attesten, waarmee renners bepaalde medicijnen (lees: dopingmiddelen) legaal mochten gebruiken. Dopingzondaars, zei McQuaid ferm, moesten levenslang worden geschorst. Het peloton kreeg te maken met het biologisch paspoort.

Hij had de geschiedenis in kunnen gaan als de man die eindelijk iets tegen doping had ondernomen. Maar de zaak Armstrong blijft hem achtervolgen. In 2006 zei McQuaid tegen deze krant dat zevenvoudig Tourwinnaar met rust gelaten moest worden, omdat hij zo veel goeds heeft gedaan voor kankerpatiënten. Twee jaar later zei hij dat Armstrong „het volste recht” had terug te keren in de Tour. Sterker nog: zijn comeback was „een zegen voor de wielersport”.

Nu, na de dopingbekentenis van de Amerikaan, zegt McQuaid telefonischdat hij Armstrong „nooit” heeft gesteund. „Zodra we bewijs hadden dat hij doping had gebruikt, hebben we hem gestraft.”

McQuaid, zegt KNWU-voorzitter Marcel Wintels, heeft de dopingbestrijding „voortvarend” aangepakt. „Maar niet verregaand genoeg, onafhankelijk genoeg, professioneel genoeg en transparant genoeg.”

Als het Pat McQuaid ligt blijft hij de hoogste wielerbaas. Volgende week wordt in Florence, in de marge van de WK wielrennen, de nieuwe UCI-voorzitter gekozen. McQuaid moet het opnemen tegen Brian Cookson, de topman van de Britse wielerbond (zie inzet).

KNWU-voorzitter Marcel Wintels wil niet zeggen wie hij steunt. „Maar er moet wel wat veranderen”, zegt de Nederlandse bondsbestuurder. Het zijn niet alleen de dopingaffaires die de Ier aankleven. De UCI-voorzitter rollebolt over straat met de wereldantidopingorganisatie Wada, Tour-organisator ASO, ploegen en landen, zegt Wintels. „Geschillen heb je altijd in zo’n functie, maar die moet je professioneel oplossen. Een gestrekt been is niet constructief. McQuaid is een heel gezellige man om koffie mee te drinken. Maar het zit in zijn karakter elke kritische noot ver van zich af te slaan. Dat heb ik hem ook gezegd: waarom neem je altijd zo’n defensieve strijdmodus aan?”

McQuaid, die rechtszaken aanspande tegen onder anderen journalist Richard Kimmage, dopingbestrijder Dick Pound en dopingspijtoptant Floyd Landis, beaamt dat hij defensief is. „Ik moet de UCI en het wielrennen verdedigen.” Hij krijgt bijval uit onverdachte hoek, van onafhankelijke dopingexpert Klaas Faber bijvoorbeeld . „Kimmage heeft beweerd dat de UCI een positieve dopingtest van Armstrong uit de Ronde van Zwitserland van 2001 heeft verdonkeremaand. Later bleek dat die test helemaal niet bestaat. Als ik op die manier zou worden beschuldigd van corruptie, zou ik ook naar de rechter stappen.”

McQuaid, vervolgt Faber, is een directe man. „Authentiek, tot op het botte af. Dat méént hij. Hij is inderdaad niet diplomatiek. Maar wel een goede leider.” Anthony Moran noemt McQuaid „charmant en onderhoudend”, maar ook defensief en reactionair. „Hij wacht totdat er iets naar buiten komt en reageert dan. Hij zal niets zelf initiëren.” En, zegt Moran, hij is bepaald geen schoolvoorbeeld van open communicatie. „Hij zit niet eens op Twitter.”

Wat zei McQuaid eigenlijk tegen Moran, vijf jaar geleden in die pub in Dublin, toen hij geconfronteerd werd met zijn slappe dopingaanpak? Moran: „He just smiled.”