BOOS

Bij haar aantreden als minister van Defensie, zei Jeanine Hennis donderdag tegen deze krant, ontdekte ze dat Nederland „over zestien miljoen vliegtuigexperts’’ beschikt – iedereen heeft ineens een mening over de JSF. Dat is waar: terwijl in de Amsterdamse Watergraafsmeer een massa Fyra’s langzaam uit ons geheugen staat weg te roesten, weet iedereen al zeker dat het volgende debacle eraan staat te komen – als het niet technisch is, dan in ieder geval financieel. Op hetzelfde moment dat Hennis monter beweert dat eigenlijk al in 2002 duidelijk was dat de JSF het meest voortreffelijke toestel voor onze luchtmacht is, giert een vernietigend artikel uit Vanity Fair over diezelfde JSF door de sociale media.

Hennis: „Inmiddels vliegt het ding en uit alles blijkt dat het inderdaad de meeste mogelijkheden heeft.”

Vanity Fair: het ding kan na al die jaren nog steeds niet vliegen.

Bij een nationale depressie dreigt hetzelfde gevaar als bij een gewone depressie: op een gegeven moment voelt het zo vertrouwd aan dat je eigenlijk geen zin meer hebt om eruit te komen. Deze week werd collectief tegen de Miljoenennota van de regering aangetrapt alsof het een lekke voetbal was – er zit nauwelijks meer beweging in, maar dat is enkel reden om nog harder te schoppen. Iedere oproep tot optimisme („Nederland staat nog altijd in de top vijf, ons land behoort nog altijd tot de meeste innovatieve, in … wordt er jaloers naar ons gekeken”) wordt onmiddellijk gesmoord in een overkill aan hoon en haat – hoon voor de hoger opgeleiden, haat voor de onrendabelen.

Het zuur is overal doorgedrongen. Politieke commentatoren voorspellen een snel einde van het kabinet – en een nieuwe opstand van de kiezer. Onderzoek laat zien dat de burger helemaal niet bang is, hij is gewoon boos. Men verlangt naar een „sterke man”, die zonder pardon orde op zaken stelt.

Den Haag, dat blijkt ook uit die opmerking van Hennis over 16 miljoen vliegtuigexperts, troost zichzelf met het bekende verhaal: de kiezer laat zich te gemakkelijk op sleeptouw nemen door vluchtige sentimenten, men heeft zijn oordeel klaar zonder kennis van zaken, het is allemaal het gevolg van die onbeheersbare beeldvorming waar Wouter Bos in Zomergasten zo bevlogen over sprak. Het is, kortom, een kwestie van nauwgezet, ingewikkeld bestuur tegenover gemakzuchtige stemmingmakerij.

O ja? Juist het geval van de JSF laat zien dat dit troostende schema niet langer voldoet. De vertrouwenscrisis waar de politiek mee worstelt, valt samen met de geschiedenis van het gevechtstoestel – het zou me niet verbazen als het kabinet erover valt. Want: het ís onbegrijpelijk dat tot aanschaf wordt besloten op het moment dat er weer 2.300 mensen bij defensie worden ontslagen. Er ís, dat moet ook Hennis toegeven, jarenlang opzettelijk een veel te rooskleurig beeld geschetst over de kosten (Hennis: „Ik heb met verbazing gezien wat er in het verleden is geroepen over aantallen.”) De minister beseft ook dat de aanloop tot de aankoop geen schoonheidsprijs verdient: „Je wilt natuurlijk geen projecten hebben die gierend uit de klauwen lopen.” Maar ook in de nieuwe stelligheid van Hennis worden nu al gaten geschoten door een rapport van de Rekenkamer. De toekomst belooft enkel tegenvallers.

Dan is er nog de PvdA. Voor, tegen, voor, tegen, voor – en de kiezer wordt steeds opnieuw geacht te geloven dat deze keer écht het eerlijke verhaal wordt verteld. Het gezagsgetrouwe kamerlid Angelien Eijsink veranderde op commando haar ferme standpunt – zoals Hennis zelf dat twee jaar geleden deed met de weigerambtenaar.

De politiek noemt dat de kunst van het compromis. Anderen noemen het bedrog.

In zo’n klimaat wordt ieder incident al snel een symptoom van crisis. Tegenvallers roepen direct het beeld van de Apocalyps op. Overdreven, het leven draait om zoveel meer, maar hysterie is niet de reden waarom het vertrouwen in deze regering onder nul dreigt te zakken.

Er zijn maar weinig mensen die echt iets van de JSF afweten. Ik zal er zelf geen nacht minder om slapen – maar gek genoeg had ik al in 2002 een inzicht dat je welhaast visionair kunt noemen. Ik voorspelde toen dat „het ding” ondanks alle breed uitgemeten voorbehoud gewoon aangeschaft zou worden en dat de kosten „gierend uit de klauwen” zouden lopen. Tien jaar lang moest ik aanhoren dat dat niet zo was, echt niet – en nu het wel zo blijkt te zijn, vertelt Jeanine Hennis me dat het niet nog eens zal gebeuren. Daar word ik, naast een beetje verdrietig, ook een beetje boos van.