Bel me, ik ben je moeder

Monique Snoeijen schrijft de soundtrack van haar leven. Deze week: de hamsteruitvaart.

Stank voor dank. Van de vorige hamsteruitvaart hadden we serieus werk gemaakt. Een smaakvol kistje, een rustplaats onder de Japanse kers, mooie woorden voor de overledene en een borrel na afloop. Maar deze keer moest het van mijn jongste dochter dus helemaal anders. Bij zoveel vertoon had ze zich „nogal ongemakkelijk” gevoeld. Ze had het feestje van haar ouders – die twee jaar na de scheiding opeens zo eensgezind aan de groeve stonden – niet willen verstoren, maar voor deze dode hamster ging ze zelf zorgen. Hoe dat wist ze nog niet, maar voorlopig lag hij goed waar hij was: in de vriezer.

Ik had hem levenloos in zijn kooi gevonden toen mijn dochter op vakantie was. De dood had hem waarschijnlijk overvallen. Hij was nog van zijn glijbaan gegleden, maar zo langzaam dat hij onderaan was blijven hangen – kopje over de rand, buikje naar boven, pootjes boven zijn hoofd. Hij was nog warm toen ik hem vond.

We hadden het aan zien komen. Hij rende ’s nachts niet meer in zijn radje. En voor de zomer dachten we even dat hij een tumor had. Onder zijn staart zat een enorm gezwel, maar dat bleken zijn ballen te zijn, die droeg hij vanwege de warmte naar buiten. Ze waren bijna eenderde van zijn lichaamslengte. Mijn dochter was er stil van geweest. Overdag sloot ze de gordijnen om de zon buiten te houden, ze zette een koud metalen bakje in de kooi (waarin hij kon afkoelen), en blies zachtjes door de tralies.

Nu lag de hamster dus al weer een aantal weken in de vriezer. Het is dat mijn dochter en haar vriendin zin hadden in roomijs, anders had hij daar misschien nog wel gelegen. Maar nu ze op het doosje in aluminiumfolie was gestuit, moest het er maar van komen. Ze nam ter plekke een besluit: ze ging hem weggooien in de vuilcontainer op straat.

Opgewonden stommelde ze met haar vriendin en zus de trap af. Ze draalden bij de container, wiebelden op hun tenen, keken nerveus om zich heen, lachten. Mijn jongste wreef even in haar oog. Ik sloeg het gade vanachter het raam. Ik was niet uitgenodigd, niet nodig ook.

En terwijl ik daar verdekt stond opgesteld, zag ik opeens wat komen ging: hoe de lege hamsterkooi een voorbode was van mijn eigen lege nest. Hoe mijn dochters mij binnenkort alleen zouden weten te vinden als ze naar iets anders op zoek waren.

Het was eigenlijk al begonnen. Na de zomervakantie met hun vader waren ze me niet meteen komen opzoeken. Ze waren moe van de reis. „Dat snap je toch wel?”, zei mijn oudste over de telefoon. „Tuurlijk lieverd, slaap lekker.” Ik hing snel op. Op het dakterras had ik citroenlimonade en chips klaar staan. Hoezo moe? Ze kwamen net van vakantie! Het huis van hun vader is honderd meter verderop!

Maar ze hadden me in ieder geval nog gebeld. Over een tijdje zal ons voornaamste contact eruit bestaan dat ik hun voicemail inspreek: ‘Bel me, ik ben je moeder.’

Kijk maar naar Gloria, uit de gelijknamige Chileense film, die doet dat ook de hele tijd. Ook al is Gloria „een 58-jarige dame die zich nog in het volle leven bevindt”. Zo stond het in NRC Handelsblad in de recensie. Let op dat nog. Hallo! Bijna tien jaar voor je pensioen en nog in het volle leven. Mag het?

Terwijl op straat de klep van de vuilniscontainer dichtklapte, moest ik denken aan het moment in de film waarop Gloria naakt op bed ligt met als enig gezelschap een aangelopen naaktkat. Ik rilde. Leefde de hamster nog maar.