Als de zon is gezakt en de nacht op zijn blauwst is

Foto Wikimedia Commons

Een verkeerd begrepen vraag, daar begon het mee deze week. „Ik zat buiten te eten en het viel me opnieuw op hoe snel de zon altijd daalt. Zoveel sneller dan haar overige bewegingen”, iPhoonde een lezer in het noorden des lands. „Hoe komt dat toch?” Het was 5 september.

Drie dagen later kwamen de regens, het werd herfst en erg koud en van AW-wege is de vraag begrepen als: waarom daalt de zon in september aan het eind van de dag zoveel sneller dan in de rest van het jaar? Of om preciezer te zijn: waarom daalt zij rond de equinox van 22 september en die van 20 of 21 maart zo veel sneller dan in hartje zomer of winter? Want dat doet zij.

Het is een klassiek kosmografie-probleem dat hier in een al even klassieke kosmografie-illustratie wordt verduidelijkt. Het plaatje toont het vlak van de waarnemer, met rondom de horizon en erboven het holronde hemelgewelf. Ook aangegeven is de route die de zon in zomer, winter en herfst aflegt en het is de bedoeling dat de lezer nu zelf ontdekt dat de zon de horizon in de herfst inderdaad sneller nadert dan in zomer of winter. Eenvoudig is het niet.

Wie het per se wil verifiëren kan ook eens kijken in astronomische tabellen, bij voorbeeld die van de Sterrengids, hoe lang, door het jaar heen, steeds de schemering duurt. Wat in het gewone spraakgebruik ‘schemering’ heet komt het meest overeen met wat officieel ‘burgerlijke schemering’ genoemd wordt. Het is de periode tussen zonsondergang en het moment waarop het middelpunt van de zon 6 graden onder de horizon staat (en de tegenhanger bij zonsopgang, natuurlijk). Als ’s avonds de burgerlijke schemering eindigt kun je buiten geen boek meer lezen.

Razendsnel

De schemertijd varieert van 49 minuten rond 21 juni tot maar 33 minuten rond de equinox. Dat is helemaal niet zoveel langer dan de befaamd korte schemering van de tropen die op zijn allerkortst maar 23 minuten duurt, maar meestal langer aanhoudt. We stellen dus vast dat de zon rond deze tijd inderdaad razendsnel zakt. Het brengt ons bovendien tot de conclusie dat ‘het blauwe uur’ bijna nergens in de bewoonde wereld langer kan duren dan een half uur. Dit is al een veeg teken.

Wat is het blauwe uur? Het blauwe uur, l’heure bleue, is een begrip uit schilderkunst en fotografie. Het is een poëtische aanduiding voor de burgerlijke schemering, voor de periode tussen dag en nacht, entre chien et loup, waarin het geel en oranje van de zon verdwenen zijn en de uitstervende verlichting nog vooral komt van het blauw van de hemel. Het is de periode waarin historische gebouwen en de vrouwelijke huid het best tot hun recht komen.

Heeft de aanduiding ‘heure bleue’ bestaansrecht? Is er iets bijzonders met het buitenlicht in dat halve uur na zonsondergang? Hier aarzelt de amateuronderzoeker. Het geeft te denken dat astronomen erover zwijgen en dat ook iemand als Minnaert (De natuurkunde van ’t vrije veld) die uitvoerig over schemerkleuren schreef, het niet noemt, al scheelt het niet veel. Een eerste vereiste lijkt dat de zon niet al te rood onderging en dat de atmosfeer helder genoeg is om niet na zonsondergang geel zonlicht te verstrooien. De rol van lage bewolking is onduidelijk.

De AW-redactie gelooft wel dat het blauwe uur bestaat. Het is misschien nooit mooier in beeld gebracht dan in de laatste drie minuten van Antonioni’s Professione: reporter uit 1975 (ook The passenger genoemd). Zie YouTube. Een zomeravond in Andalusië, er is allerlei treurigs achter de rug, er is bewolking en de zon ging rood onder en dan opeens is er onmiskenbaar: een ‘heure bleue’. Misschien heeft Antonioni een handje geholpen, maar het is geen ‘nuit Americaine’ geworden. Er is geen blauw filter gebruikt.

De impressie ‘blauw’ kan natuurlijk ook een reactie zijn op een voorafgaande blootstelling aan overvloedig geel zonlicht. Wie heel lang in zuiver groen licht kijkt ziet daarna minutenlang alles roze. Maar dan zou het blauwe uur voor zonsopgang ontbreken en het Franse wikipedia-lemma ‘heure bleue’ sluit dat uit. Het wordt ook uitdrukkelijk gereserveerd voor het moment waarop ’s ochtends de vogels weer gaan zingen en de bloemen hevig geuren.

Nachthemellicht

Interessant genoeg hebben de Engelsen juist betekenis gegeven aan het moment dat daar weer aan voorafgaat. ‘It’s darkest just before dawn’, zeggen zij, en dat wordt tegenwoordig uitsluitend overdrachtelijk gebruikt, maar ze meenden het letterlijk, daar zijn genoeg bewijzen voor te vinden. Is de nacht werkelijk op zijn donkerst vlak voor zonsopgang?

De Britse astronoom William Denning (1848–1931) geloofde het echt. ‘Even voor het krieken van de dag schijnt het hem dat voorwerpen verdwijnen welke tot hiertoe goed zichtbaar waren: een zenuwachtig gevoel komt over hem’, schrijft Minnaert. Hijzelf nam aan dat het inbeelding was, al hadden metingen ‘inderdaad’ aangetoond dat het nachthemellicht even na middernacht op zijn sterkst was en dat het daarna afnam.

De Amerikaanse astronomen Lynch en Livingston (van Color and Light in Nature) vinden het onzin. Maar ze sluiten niet uit dat het omgekeerde wel waar is: dat de nacht kort na zonsondergang het donkerst wordt gevonden. Want soms duurt de schemering zo kort dat de donkeradaptatie van het oog het niet bij kan houden.