Wachten op de paddestoel

Het is een illusie te denken dat het bezit van kernwapens ooit echt veilig kan zijn, blijkt uit de lange reeks ongelukken met Amerikaanse atoombommen, schrijft Eric Schlosser in een schrikbarend boek.

Krater in Damascus, Arkansas, na het incident in 1980 met een Titan-II raket, kernkop van 9 megaton

Op een dag zal er per ongeluk een kernwapen afgaan, voorspelde een vooraanstaande militaire strateeg en adviseur van het Pentagon in 1959. Dat was geen wilde speculatie, maar een serieuze risicoanalyse. Toch is er van de pakweg 70.000 kernwapens die de Verenigde Staten sinds 1945 hebben geproduceerd, nog nooit één onbedoeld tot een nucleaire ontploffing gekomen. Dat kan gerust een wonder heten, blijkt uit het huiveringwekkende boek Command and Control van Eric Schlosser. Want heel vaak heeft het ongelooflijk weinig gescheeld.

Neem die keer, in 1958, dat een bommenwerper op een Amerikaanse militaire basis in Marokko oefeningen op de startbaan uitvoerde. Aan boord was een atoombom, waarin de kern was ingebracht om de oefening extra realistisch te maken. Toen het toestel met een gangetje van nog geen 35 kilometer per uur een klapband kreeg, ontstond er brand in het wiel, die oversloeg naar de romp. De bemanning wist ongedeerd te ontkomen, maar in een zee van vlammen brak het vliegtuig in tweeën.

Halsoverkop werd de basis geëvacueerd. Auto’s vol luchtmachtpersoneel en hun gezinnen scheurden de woestijn in uit angst voor een nucleaire explosie. Die bleef uit, hoewel het vuur tweeënhalf uur door woedde. De bom en delen van het toestel smolten, volgens een officieel rapport dat na afloop werd opgemaakt, tot een dikke, zware plak radioactief materiaal. Die werd later in stukken gehakt: de gevaarlijkste delen werden in gesloten vaten afgevoerd, de rest begroef men naast de startbaan. De koning van Marokko werd op de hoogte gesteld, verder hield Washington het incident stil. Een Amerikaanse diplomaat in Parijs die ernaar vroeg, kreeg te horen dat er ‘een evacuatieoefening’ had plaatsgevonden.

Het is slechts een van de vele bekende en minder bekende voorbeelden die Schlosser beschrijft. Atoombommen zijn uit vliegtuigen op een startbaan gevallen. In opslagplaatsen zijn bommen in brand gevlogen. Testvluchten met bewapende raketten zijn misgegaan, waardoor kort na de lancering een explosie plaatsvond en boven bewoond gebied plutonium vrij kwam. Vliegtuigen met atoombommen aan boord zijn neergestort en tegen andere vliegtuigen aangebotst – zoals het bekende geval van een B-52 met vier kernbommen die in 1966 boven het plaatsje Palomares, in het zuiden van Spanje, in botsing kwam met een tankvliegtuig. Een gevechtsvliegtuig is met kernbom en piloot en al van een vliegdekschip afgegleden en naar de bodem van de oceaan gezonken. En raketten met kernkoppen zijn in hun lanceersilo’s in brand gevlogen.

Bij deze en andere ongelukken en blunders met Amerikaanse kernwapens zijn doden en gewonden gevallen. Soms is de omgeving besmet met radioactief materiaal. Vaak is er grote menselijke en materiële schade aangericht, vooral door de conventionele explosies en branden die er nogal eens bij plaatsvonden. Dat het nooit tot een nucleaire explosie heeft geleid, was soms te danken aan voorzorgsmaatregelen, maar vaak was het meer geluk dan wijsheid.

Onderzoeksjournalist Schlosser, bekend als de auteur van de bestseller Fast Food Nation, beschrijft al die incidenten nuchter, maar met veel aandacht voor de menselijke details. Hij heeft niet alleen grondig onderzoek gedaan en met een beroep op de Freedom of Information Act veel documenten van de Amerikaanse overheid losgekregen. Hij heeft ook met vele betrokkenen gesproken, uit alle lagen van de militaire hiërarchie, de politiek en de samenleving. Dat maakt Command and Control, ondanks de soms technische materie, tot een levendig en spannend boek. Aan de hand van twee rode draden vertelt Schlosser zijn verhaal. De ene draad is een fascinerende reconstructie, van minuut tot minuut, van een ongeluk dat zich in 1980 afspeelde met een intercontinentale ballistische kernraket in het plaatsje Damascus, in Arkansas. De andere rode draad is de geschiedenis van de Amerikaanse nucleaire bewapening en de dolgedraaide wapenwedloop met de Sovjet-Unie.

Fouten

Over de periode na de Koude Oorlog gaat dit boek vrijwel niet, en evenmin over de andere landen met kernwapens. Maar als lezer word je diep doordrongen van het besef dat deze massavernietigingswapens niet alleen heel gevaarlijk zijn voor hun doelwit, maar ook voor de landen die ze bezitten of waar ze opgeslagen liggen of over vervoerd worden. Ongetwijfeld is er sinds de jaren van de Koude Oorlog op veiligheidsgebied veel verbeterd. En ook zijn er aanzienlijk minder kernwapens in de wereld dan toen, dus ook minder wapens waarmee iets kan misgaan. Maar fouten worden er nog steeds gemaakt bij het beheer van kernwapens. Zes jaar geleden bijvoorbeeld werden op een basis in Noord-Dakota bij vergissing zes kernbommen aan een B-52 bevestigd. Het toestel stond de hele nacht onbewaakt op de startbaan, vloog de volgende ochtend met een onwetende bemanning zo ongeveer het hele land over naar Louisiana, stond daar ook weer uren onbewaakt buiten, totdat onderhoudswerkers de kernkoppen ontdekten. Een ongeluk bleef achterwege, maar de kans daarop was wel aanzienlijk toegenomen: anderhalve dag lang had de luchtmacht niet gemerkt dat er zes atoomwapens waren verdwenen.

Het ongeluk in 1980 met de meer dan dertig meter hoge Titan-II raket in zijn ondergrondse silo in Damascus, in Arkansas, illustreert hoe een kleine menselijke fout, een reeks verkeerde beslissingen en een gebrekkig veiligheidssysteem, tot een ramp van reusachtige proporties had kunnen leiden. De raket had een kernkop met een explosieve kracht van 9 megaton, drie keer zoveel als alle bommen die in de Tweede Wereldoorlog zijn uitgeworpen, inclusief de twee atoombommen op Japan.

Bij een onderhoudsklus in de silo liet een technicus op een hoge stelling naast de raket een vier kilo zware moer vallen. De moer viel 24 meter omlaag, ketste tegen de raket en deukte een gat in een van de brandstoftanks van het gevaarte, waar meteen een straal van de licht ontvlambare brandstof uit naar buiten spoot. De reeks gebeurtenissen die in de uren daarna in gang werden gezet, leidde uiteindelijk tot een enorme explosie waarbij een deel van de raket door de zware deksel van de silo naar buiten schoot en de kernkop een eindje verderop in een greppel terecht kwam – beschadigd, maar op miraculeuze wijze grotendeels in tact. Het hele lanceerterrein was verwoest, en er was één luchtmachtmedewerker omgekomen. Maar de ramp had gemakkelijk veel groter kunnen zijn.

Aan het slot van zijn boek staat Schlosser kort stil bij het beleid van Obama een wereld zonder kernwapens na te streven. Staatslieden in ruste als de oud-ministers Henry Kissinger en de William Perry, bepaald geen pacifisten, bepleitten dat al sinds 2007. Het idee heeft internationaal veel steun gekregen, zelfs van de VN-Veiligheidsraad. Maar in de praktijk blijkt de haalbaarheid ervan hoogst twijfelachtig. Dat vindt ook een van de best ingevoerde critici van de Amerikaanse omgang met kernwapens die Schlosser opvoert. Deze man heeft zoveel ongelukken onderzocht, en zoveel beveiligingsmaatregelen onder de loep genomen, dat hij als geen ander weet dat het bezit van kernwapens nooit helemaal veilig kan zijn. Maar hij gelooft niet dat afschaffing van alle kernwapens in de wereld realistisch is. Hij pleit er voor het Amerikaanse arsenaal terug te brengen tot een paar honderd: genoeg om eventuele vijanden af te schrikken, en een stuk minder gevaarlijk voor de eigen mensen. Maar zover is het nog lang niet, voorlopig hebben Amerika en Rusland elk nog duizenden kernwapens.

Zeuren

Vorige week berichtte het tv-programma ‘Brandpunt Reporter’ dat de Verenigde Staten de Amerikaanse kernwapens willen vervangen die in vijf Europese landen liggen, waaronder Nederland. Het kabinet zou daar al mee hebben ingestemd, maar nog met de Amerikanen touwtrekken over de vraag wie opdraait voor de kosten als er iets misgaat. Natuurlijk is dat een politiek gevoelige zaak. Want heeft West-Europa, en dus ook Nederland, niet decennia lang geprofiteerd van de bescherming van de Amerikaanse atoomparaplu? En dan nu zeuren over de kosten bij een eventueel ongeluk? Een relevantere vraag is of die kernwapens twintig jaar na het einde van de Koude oorlog hier nog nodig zijn.

Schlosser schrijft daar niet over, maar wel over de atoomwapens die in de jaren zestig in Europa opgesteld waren, vooral de Jupiter-raketten. Ze waren vaak oud en slecht onderhouden, concludeerde een commissie van het Amerikaanse Congres bezorgd in 1960. De commissie had vijftien bases met atoomwapens in Europa bezocht. Verbijsterd kwamen de Congresleden terug. Het leek wel of Amerika de NAVO-bondgenoten beschouwde als ‘een stortplaats van verouderde kernkoppen en wapensystemen’. Zelfs president Eisenhower moest later toegeven dat ‘we ze beter in de oceaan hadden kunnen dumpen, dan bij onze bondgenoten’.

Tot nu toe is het allemaal goed afgelopen. Maar hoe lang gaat het nog goed, niet alleen in Amerika en in Europa, maar ook in Rusland, China, India, Pakistan en Noord-Korea? Volgend voorjaar wordt in Den Haag een grote internationale top over nucleaire veiligheid gehouden. Ter voorbereiding zouden de organisatoren alle staatshoofden en regeringsleiders die naar de conferentie komen een exemplaar van Schlossers boek moeten sturen. Het zou de urgentie van hun opdracht meteen duidelijk maken.