Voor altijd de tovenaar van Bernabéu

Gerrie Mühren (1946-2013)

Hoe een Volendamse technicus in het shirt van Ajax met een balletje hooghouden ‘de Koninklijke’ kleineerde in Madrid. „Ik dacht er niet bij na.”

Gerrie Mühren, tweede van links, bij een benefietwedstrijd in Gouda voorwijlen Ajacied Dick van Dijk. Links naast Mühren de Duitse libero Horst Blankenburg, rechts Barry Hulshoff en Johan Cruijff. Foto Robert Vos

Het gebeurde op een lenteavond in het kolkende stadion Bernabéu in Madrid, in 1973. Bij Real Madrid-Ajax (0-1), in de halve finale van de toenmalige Europa Cup I (nu Champions League), ving middenvelder Gerrie Mühren van Ajax de bal ter hoogte van de middenlijn met zijn linkervoet op, na een breedtepass van Wim Suurbier. Hij hevelde de bal direct over naar zijn rechtervoet, dan weer naar zijn linkervoet, vervolgens weer naar rechts. Daarna liet hij de bal nog een moment stilliggen op zijn linkervoet waarna hij de opkomende Ruud Krol aanspeelde.

Meer dan 100.000 toeschouwers waren getuigen van de onvergetelijke act van de Volendamse Ajacied. De kracht van Mührens met veel lef uitgevoerde minishow was de symboliek: het superieure Ajax was de ‘Koninklijke’ uit Madrid voorbijgestreefd. Mühren, die deze avond ook het enige doelpunt maakte, realiseerde zich aanvankelijk niet dat zijn optreden zo veel indruk maakte. In deze krant zei hij in 1988: „Ik dacht er niet bij na. Pas toen ik na afloop met mijn broer Arnold in Madrid over straat liep en veel Spanjaarden ons wegens die actie aanhielden, besefte ik blijkbaar iets bijzonders te hebben gedaan.”

De Volkskrant schreef in 2010 dat Mühren na de bewuste wedstrijd van het hoogstandje in Madrid met een paar ploeggenoten door de Spaanse hoofdstad flaneerde en opmerkte dat „Spanjaarden een denkbeeldig balletje hoog hielden. Ze hadden het kunstje gezien in het stadion, meldde de krant. „Zijn teamgenoten wezen naar Mühren en riepen naar de burgerjongleurs: ‘Hier, kijk, het was deze man die dat deed, Gerrie Mühren uit Volendam’. ‘Hou je moeder voor de gek, zeiden ze dan’.”

De linksbenige Mühren, die gisteren op 67-jarige leeftijd overleed aan de gevolgen van een beenmergziekte MDS, was een fabelachtige technicus. In Vrij Nederland zei Johan Cruijff ooit dat de Volendammer meer techniek had dan hij, de befaamde nummer 14. „Ja, en ook meer conditie”, vertelde Mühren in 1975 in hetzelfde weekblad. „Cruijff was alleen sneller dan ik. En toch is hij een betere voetballer. Dat is allemaal terug te voeren naar die brutaliteit.” Mühren bekende in het vraaggesprek óók dat hij minder inzicht had dan Cruijff. „Dat [inzicht] is inderdaad zijn kracht en toch is daar weer het verschil tussen de rasechte Amsterdammer met bluf en de jongen van een dorpje. Ik was thuis één van de negen. Ik moest altijd ondergeschikt zijn.”

Op het veld cijferde Mühren zich weg, ten gunste van zijn team. Naast zijn goede lange passes en voorzetten viel hij ook op door zijn verdedigende bijdragen. Mühren, die bekend stond als de Ajacied met de beste conditie, liep in een wedstrijd vele kilometers. Dat kostte veel kracht, hetgeen volgens hem soms ten koste ging van de vaart en de zuiverheid van zijn schoten. In 1971, 1972 en 1973 won Mühren de Europa Cup met Ajax, dat onder leiding van grootheden Johan Cruijff, Sjaak Swart, Piet Keizer en Ruud Krol en de topcoaches Rinus Michels en Stefan Kovács wereldfaam verwierf.

Mühren leerde voetballen achter het kleine huis van zijn ouders, op een stenen plaatsje van zeven bij drie meter. Daar oefende hij eindeloos: hij hield de bal hoog, nam hem met beide benen aan en hij pingelde er op los, vaak met zijn jongere broer Arnold. Zijn (prof)carrière begon hij bij FC Volendam, In zijn geboortedorp maakte hij snel grote indruk met zijn passes op Dick Tol. Hij lanceerde Tol, een succesrijke blonde aanvaller met de bijnaam ‘De Knoest’, veelvuldig perfect vanaf de zijlijn. In het boek De Ajacieden van Maarten de Vos, vertelde Mührens vader Jan daarover: „De Knoest zei altijd tegen me, Jan zei-d-ie, als ik aan jouw Gerrit vraag of ie de bal op mijn derde wenkbrauwhaar aan de linkerkant legt, dat dóét ie dat.”

De middenvelder verhuisde op 22-jarige leeftijd voor 175.000 gulden naar Ajax. ,,Toen ik in 1968 naar Ajax ging, heb ik het knap lastig gehad", zei Mühren in 1988 in deze krant. „Ik werd [in Volendam] een overloper genoemd. Maar nadat ik met Europa-Cupwedstrijden op tv was geweest, kon ik niet meer kapot. Ik had mijn land verdedigd en dat spreekt hier aan.”

Mühren speelde tien keer in het Nederlands elftal. Hij zat vaak op de reservebank, omdat de bondscoaches doorgaans de voorkeur gaven aan aan de hardere en kopsterkere Feyenoorder Willem van Hanegem, óók een linksbenige middenvelder. In 1974 bedankte Mühren om privéredenen voor deelname aan het eindtoernooi om de wereldtitel in West-Duitsland.

Twee jaar later verruilde hij Ajax voor Betis Sevilla. Hij was daar ook populair en werd in 1977 – vóór Barcelona’s sterren Cruijff en Neeskens – uitgeroepen tot voetballer van het jaar in Spanje. Vervolgens kwam hij uit voor Volendam, MVV, Seiko (Hongkong) en weer Volendam, waar hij zijn loopbaan in 1985 afsloot. Komende woensdag herdenken Ajax en Volendam in een onderling bekerduel de middenvelder die alles kon met een bal maar zich wegcijferde voor nog grotere voetballers als Cruijff en Keizer.