Twee jongeren op de vlucht, maar alles en iedereen reist mee

Ontroerend, herkenbaar, grappig, zomers, spannend en gevoelig noemde de jury van de Gouden Lijst het jeugdboek Rotmoevie van Marian De Smet. Afgelopen weekend werd het bekroond als beste boek voor 12- tot 15-jarigen. Verrassend, dat herkenbaarheid en ‘zomersheid’ genoemd worden te midden van de literaire criteria. Al evenzeer hechtte de jury eraan dat de roman ging over ‘de ontwikkeling van een vriendschap, over het verwerken van verdriet, en over groei – thema’s die bij de leeftijd van het Gouden Lijstpubliek aansluiten’.

Het is natuurlijk wél lovenswaardig dat een jury van zo’n prijs bedenkt dat een jeugdboek aan kwaliteit wint wanneer het toegesneden is op jeugdige lezers. Bij de bekroning van Rotmoevie lijkt dat echter disproportioneel zwaar te hebben gewogen. Over de literaire kwaliteit van het boek valt namelijk te twisten.

Rotmoevie vertelt het verhaal van de 17-jarige Nederlander Eppo, die als lifter opgepikt wordt door de 18-jarige Vlaamse Tabby, ergens langs een Franse snelweg. Vanaf dat moment reizen ze samen, zonder bestemming, maar met een afkomst. Die vrolijk kabbelende roadmovie-verhaallijn (zomers en niet zonder humor) is versneden met flashbackhoofdstukken die het verhaal achtergrond en diepte moeten geven. Gaandeweg blijkt waarvoor de twee jongeren op de vlucht sloegen.

Eppo komt er algauw achter dat vluchten niet helpt: ‘Alles waar ik thuis gek van werd, was gewoon met me meegereisd.’ Een gemeenplaats die elke puber een keer zal hebben ervaren. Zo’n herkenbaar clichégevoel is daarom niet meteen verboden in de literatuur, maar wel graag zó verwoord dat het een nieuw gevoel lijkt. Daarin slaagt De Smet niet: ze schrijft soms met originele metaforen, maar laat op belangrijke momenten de clichés het werk doen. Het gevolg is dat de schrijver constant aanwezig is, als boekenbouwer die we het verhaal zien construeren. Komt er in Frankrijk iemand met de naam Dylan langs, dan voelt Eppo weer een pijnscheut en flitst het verhaal terug naar een Dylan van vroeger. Makkelijk voor de jeugdige lezer, maar die had wel wat meer avontuur verdiend dan telkens die opzichtige richtingaanwijzers naar het Onderliggende Trauma.

Dat trauma laat zich ook snel raden: Eppo had een pleegbroer die niet wilde deugen, maar liefde vond bij zijn toegewijde broer. Die liefde krijgt een homoseksueel tintje, wat de verhoudingen omvergooit, omdat het door Eppo veel sterker gevoeld wordt dan door broer Maarten. Inmiddels is hij dood.

Meer dan eens dwalen de gedachten af naar Ted van Lieshouts klassieker Gebr. (1996), dat hetzelfde onderwerp aansnijdt, maar weerbarstiger literatuur is. Net als De Smets Eppo is Van Lieshouts Luuk timide en introvert, maar Luuk kreeg wél de bezielde vertelstem die Eppo mist. Zwak is ook het achtergrondtrauma van Tabby, dat erbij gesleept lijkt. Die onthulling hád de afslag kunnen zijn waarvan je lang hoopt dat Rotmoevie ’m zal nemen. Maar helaas wordt de bestemming – een stapje verder naar volwassenheid – vrij rechtlijnig bereikt.

Thomas de Veen