Steeds weer een nieuwe paringsdans

Een roman over een eenzame man en de liefde, met dubbele bodems, met terug- en vooruitblikken, met verwijzingen naar andere schrijvers, van Dante tot Barthes.

Uitnodigende titel: Het West-Vlaams versierhandboek. Op het omslag van de derde roman van Thomas Blondeau zien we een half blote dame. Waar zou dit boek over gaan? Ik sloeg het zomaar ergens open en belandde op bladzijde 74 en 75 meteen in een erotische scène. Plaats van handeling: het bureau van een notaris. Een man en een vrouw draaien een tijdje om elkaar heen en beginnen elkaar dan uit te kleden. Het eindigt ermee dat zij hem aftrekt en hem vervolgens om een tegenprestatie verzoekt: ‘Spuit het allemaal in mijn mond als ge komt. Ik smeek het u, ik smeek het u...’

Wat is dit? Vijftig tinten grijs, maar dan op z’n Vlaams?

Maar wie om die twee zwoele bladzijden heenleest, ziet al gauw dat de ambitie van Blondeau iets verder reikt dan die van E.L. James. Hij is niet uit op een sappige doorbladerroman, die soepel en snel van A naar Z leidt. Hij is druk in de weer met dubbele bodems, met terug- en vooruitblikken, met verwijzingen naar andere schrijvers, met ironische uitspraken over het schrijven (‘Wel zorgen dat hij niet als een volstrekte klootzak overkomt. Anders haakt de lezer af’). Ook werkt hij gestaag toe naar een avontuurlijke plot met onmiskenbare Krimi-elementen.

Toen ik Het West-Vlaams versierhandboek echt ging lezen, dus vanaf het begin, kwam ik tot bladzijde 74 hooguit een paar erotische toespelingen tegen. De vrijpartij op het bureau van de notaris bleek wat eenzijdiger te zijn dan ik bij vluchtige eerste lezing dacht. Hoofdpersoon Raf, schrijver van beroep, vrijt niet met Serena, de mooie dochter van de notaris, maar fantaseert alleen maar over haar terwijl hij masturbeert. Zijn zaad belandt dus niet in haar mond, maar op de vloer.

We hebben hier te maken met een sneue, eenzame figuur, in de steek gelaten door de vriendin die hij jarenlang had. Om zijn liefdesverdriet te boven te komen, keert Raf tijdelijk terug naar het naamloze West-Vlaamse dorp waar hij opgroeide. Daar wil hij in alle rust een nieuwe, therapeutische roman schrijven. In het dorp gebeurt immers nooit iets. Maar nu natuurlijk wel.

Het West-Vlaams versierhandboek is een amusante, vlot vertelde mengeling van ontwikkelingsroman en streekgeschiedenis, zelfonderzoek en dorpspomp, hartzeer en veel folkloristische leutigheid. Aan de ene kant zijn er de verwikkelingen rondom de dikke, charismatische Jozua, die van het dorp een onafhankelijke, zelfvoorzienende stadstaat wil maken, compleet met burgerwacht, vuilnisophaaldienst, knokploeg, volksraadplegingen en eigen zang en dans. Aan de andere kant is er het getob van Raf, die al verschillende meisjes en vrouwen heeft versleten, maar nog altijd niet de ware heeft weten te vinden.

Jozua en zijn volgelingen draaien in het dorp ‘een kleine revolutie af’, zoals het ironisch wordt genoemd, in navolging van Lucebert. Raf kijkt ernaar en schrijft er zuinigjes over, terwijl hij intussen nadenkt over zijn eigen vooruitzichten – als schrijver en als mens. Het sleutelwoord in dit boek is niet seks, maar liefde. Net als Petrarca, Roland Barthes, Pierre Abélard, Virginia Woolf en Dante – oudere collega’s, zullen we maar zeggen, naar wie regelmatig wordt verwezen – probeert Blondeau’s Raf op papier te krijgen waarom hij zijn vroegere geliefde zo mist. Hij meent dat zelfs beter en origineler te kunnen dan Dante die in zijn gedichten over Beatrice ‘een opeenstapeling van puberale gemeenplaatsen’ ten beste zou hebben gegeven. En waar berustte die obsessieve passie voor die Beatrice nu eigenlijk op? En hoe vaak zagen ze elkaar nu helemaal? Ze hadden welbeschouwd niet veel meer dan ‘een hoi-doei-relatie.’

Toch is precies de episode waarin de zo innig betreurde ex van Raf sprekend wordt opgevoerd, de minst overtuigende episode van de hele roman. Te omfloerst, te ingewikkeld, te gewild mysterieus. Een vrouw om zo snel mogelijk te vergeten, wat mij betreft.

Wél weet Blondeau over te brengen dat een schrijver per definitie eenzaam is en eigenlijk altijd met een soort liefdesverdriet kampt. Met elk nieuw boek vertelt hij niet zozeer een nieuw verhaal, maar voert hij een nieuwe paringsdans op, in de hoop iemand blijvend aan zich te kunnen binden. ‘We doen het allemaal voor de meisjes’, laat Blondeau zijn alter ego zeggen. Zo valt elk boek te lezen als een uitnodiging, een versierhandboek.