Nu ben je een man geworden

Een stroper doodt men met meer gemak dan een hert, zo blijkt uit David Vanns nieuwe roman. Daarin rekent een elfjarige jongen definitief af met zijn gewelddadige familie.

Op het omslag van zowel de Amerikaanse als de Nederlandse editie van deze roman staan een hert en een duivel afgebeeld. Die staan er niet voor niets, evenmin als de volgende bijna terloopse zin in Vanns ‘Dankbetuiging’ als louter informatief moet worden opgevat: ‘Met deze roman brand ik het laatste restant weg van wat me tot schrijven bracht: de verhalen over mijn gewelddadige familie.’ Het lijkt eerder een waarschuwing aan de lezers die zijn eerdere werk kennen: ook nu zullen de verschrikkingen niet uitblijven.

De hoofdpersoon van deze roman (een bewerking van een van Vanns vroegste verhalen) is een jongen die op jacht gaat met zijn vader en grootvader en Tom, een vriend van de familie. ‘Op deze jacht zal ik voor het eerst mogen doden’, weet hij. Hij is elf jaar, ‘zo jong dat het illegaal was, maar eindelijk oud genoeg volgens de familiewetten.’

Dat ‘doden’ pakt echter heel anders uit: als zijn vader hem door het vizier van zijn geweer een stroper laat zien die zich op het aan de familie toebehorende land bevindt, haalt de jongen de trekker over, tot ontzetting van de drie volwassenen. Ze halen het lijk op, ‘als ik al iets voelde was het opwinding.... We maakten altijd wel iets dood, en het leek erop dat we op aarde waren om te doden’. Het lijk van de stroper wordt in het basiskamp aan een haak gehangen die bestemd is voor het wild dat moet besterven, en blijft een groot deel van deze roman daar hangen, als een dreigende aanwezigheid, die zelfs nog sprekend en oordelend de handelingen van de jongen mede zal bepalen.

De jongen zal ook zijn hert schieten, een enorme hertenbok, maar doet dat niet al te professioneel. Van de afgrijselijk lange doodsstrijd van het dier zou je bijna zeggen dat die te gruwelijk is voor woorden, maar als er iemand is die die woorden toch weet te vinden is het David Vann. Ondanks de meeslepende ontwikkeling heb ik het boek hier meermalen terzijde moeten leggen maar dat zal met mijn zwakhartige, urbane achtergrond te maken hebben. ‘Toen ik de stroper doodde had ik niets gevoeld’, vertelt de jongen, ‘maar dit was anders’. Het buitengewone is dat menig lezer dat ook zal voelen. Als het dier dan eindelijk dood is weet de jongen wat hij nu moet doen: het hart en de lever uit zijn karkas snijden en een flinke hap van beide warme, rauwe organen nemen. ‘Nu ben je een man,’ zegt zijn grootvader. ‘Nu ben je een man,’ herhaalt zijn vader.

Maar zelfs dan blijkt de toch al zo rampzalig verlopen rite de passage voor de jongen nog niet ten einde: tot zijn verbijstering ziet hij de drie mannen in de truck stappen en wegrijden. Hij schiet nog in zijn zinloze razernij een kogel naar de achterlichten, maar beseft dan dat hij het immense dier in zijn eentje naar het kamp zal moeten slepen. Een raadselachtige opgave, een onmogelijke taak die hem het gevoel geeft een te worden met het dier.

Het verhaal wordt verteld door de jongen op latere leeftijd en is gedrenkt in Bijbelse verwijzingen, naar Kaïn en Abel, David en Goliath, de kruisgang. Net als in zijn vorige roman Aarde kondigt Vann het naderend onheil bijna sluipenderwijs aan. Vanaf het moment dat de mannen discussiëren over wat er met het lijk van de stroper moet gebeuren laat hij heel langzaam de onderlinge verhoudingen veranderen; gekte, vaderlijke gevoelens, intimidatie, fysieke worsteling, zelfs moorddreiging wisselen elkaar af, de spanning escaleert. En de lezer weet: er gaat nog iemand sterven. Maar wie?

Vann heeft een uitzonderlijk groot talent voor het binnenzuigen van de lezer in een vertelling die bevolkt wordt door onvoorspelbare karakters en gestuurd wordt langs gruwelijke wendingen. Hij doet dat in een proza dat een roes lijkt te willen oproepen, evenals in de tweede helft van zijn vorige roman, vol korte zinnen waarin werkwoorden en hulpwerkwoorden dikwijls zijn weggelaten en waarin de meedogenloze omringende natuur een steeds dwingender factor wordt. Dat de ontwikkeling toch wat minder aangrijpt en zich organisch voltrekt dan die in Aarde, heeft althans deels te maken met de herhaalde pogingen het verhaal in te pakken in Bijbelse verwijzingen. In Aarde zijn de New Age-overtuigingen van Galen nog overtuigend in zijn doen en laten verwerkt. Hier zijn de Bijbelse aanroepingen door de auteur in een latere fase aan de handeling toegeschreven, verwijzingen die de lezer de motieven en de radeloosheid van de jongen op het moment van handeling hier en daar doen verdwijnen onder een laag van latere bezwering. Hier nemen de duivel en de hel, die de auteur in zijn fictie wil uitdrijven, de overhand en wordt de duivel een personage, zichtbaar haast, en voor altijd aanwezig als het te bedwingen kwaad in hemzelf.

Het is, opvallend genoeg voor de lezers die Vanns vroegere werk kennen, de vader die de moraal vertegenwoordigt, maar blijkbaar onvoldoende om zijn zoon tegen wat zich voltrekt te beschermen. Het enige dat hij hem had geleerd was hoe hij naar de natuur moest kijken, maar dan alleen naar dat stuk wilde natuur dat het zijne was, ‘een plek die ik nu kwijt ben, en er zijn dagen dat ik mijn appartementje als een kooi wil doen schudden en terugrennen naar waar ik hoor, maar dat kan natuurlijk niet. De dode heeft alles afgepakt.’

David Vann, die de afgelopen weken in Amsterdam verbleef, schrijft nu een bewerking van Medea en een boek dat hij zelf als een feelgood roman aankondigt. Tenminste een van zijn lezers wacht met spanning af wat zoiets uit de mond van deze uiterst aimabele vegetariër betekent.