Mulisch en Hermans zouden ook twitteren

Thomas Heerma van Voss: "Er verschijnen nog genoeg romans die echt de moeite waard zijn."

Een week geleden opende Peter Drehmanns op dit blog het vuur op de hedendaagse literatuur, die oppervlakkig en ‘niet gevaarlijk’ zou zijn. Misplaatste nostalgie, zo retourneert de jonge schrijver Thomas Heerma van Voss nu.

Een „paradijselijke prehistorie”, die twee woorden gebruikte Peter Drehmanns vorige week in een opiniestuk op NRC Boeken. Hij had het over de jaren zestig – een tijd waarin, aldus Drehmanns, literatuur nog een dominante en belangrijke rol had. Nu duiken overal „onschadelijke schrijvertjes” op bij risicoloze televisieprogramma’s. De kern van zijn verhaal: de Nederlandse literatuur is nietszeggend en braaf geworden.

Het is een klacht die al decennialang opduikt: de huidige tijd als toonbeeld van oppervlakkigheid, fel contrasterend met het een veel florissanter verleden. Toen Reve veelvuldig op televisie verscheen, werd hij door sommige tijdgenoten gezien als een doortrapte marketingman; Grunberg gold voor velen jarenlang als toonbeeld van een ambitieloze, cynische jongere generatie. Tegenwoordig spitst het debat zich niet zozeer toe op specifieke gevallen, eerder op verschijnselen. Vorig jaar nog betoogde de auteur Marcel Möring in NRC Handelsblad dat hedendaagse romans „tandeloos en ongevaarlijk” zijn. Jonge auteurs zouden vooral bezig zijn met gezien worden, met Facebook en Twitter, met feestjes, in plaats van dat ze zich richten op, zoals Drehmanns nu stelt, ‘gevaarlijke en ongemakkelijke romans’.

Om te beginnen: wat betekent dat precies, een gevaarlijke roman? Waarom is het wenselijk? En als men ooit al gevaarlijk schreef, hoezo gebeurt dat dan nu niet meer? Het is weliswaar de conclusie van Drehmanns’ stuk, maar hij legt nergens uit wat hij ermee bedoelt of hoe hij erbij komt. Er wordt geen enkele moderne roman inhoudelijk besproken of zelfs maar genoemd – en dat is sowieso een ernstig probleem van bijna alle kritische artikelen over de huidige literaire generatie: steeds opnieuw benadrukt men dat onbenullige randzaken afleiden van de moderne romans zelf, en vervolgens gaat het in die stukken nergens over behalve die randzaken.

Een tijd die niet meer bestaat

Natuurlijk: het is weleens zorgelijk, of op zijn minst frustrerend, hoeveel invloed onbenullige televisieoptredens op de boekverkoop of op iemands algehele bekendheid hebben. Maar dat gaat om de automatismen waarmee er met literatuur om wordt gegaan, niet om de romans zelf. Of een auteur nou nooit, af en toe of wekelijks bij Pauw & Witteman aanschuift: zijn literaire werken veranderden er toch in geen enkel opzicht door?

Het is een vreemde, ondoordachte houding die Drehmanns aanneemt, en met hem zo veel cultuurcritici: enerzijds geven ze af op auteurs die hun pr ‘tot in de puntjes’ beheren – denk aan Herman Brusselmans, Özcan Akyol – en anderzijds proberen ze geen moment ook maar uit te leggen wat hiervan nu werkelijk de nadelige gevolgen zijn voor de literatuur. Het is alsof je een moderne politicus verwijt dat hij te weinig serieus met zijn werk bezig is, alleen omdat hij weleens Twitterberichten verstuurt of in populaire televisieprogramma’s aanschuift.

Wat echter een nog fundamenteler probleem is van Drehmanns’ betoog: zijn constante, iedere alinea sturende verlangen om terug te keren naar een tijd die allang niet meer bestaat. Hoe kan iemand nu werkelijk betogen dat we terug moeten naar het verleden, zolang hij voor de huidige teloorgang alleen maar symptomen noemt die vroeger nog helemaal niet konden bestaan?

Ja, er ligt tegenwoordig meer nadruk op zichtbaarheid en een online bestaan dan vroeger. Maar zou Hermans als hij nu leefde niet ook gewoon een Facebookaccount hebben aangemaakt? Was Reve geen graag geziene tafelheer bij De Wereld Draait Door geweest, had Mulisch niet wekelijks gekeken hoeveel Twittervolgers hij had?

Jammerklacht

Het is een interessante vraag wat de digitale ontwikkelingen voor de inhoud van romans betekenen, of in welke opzichten moderne literatuur werkelijk verschilt van vroegere werken – maar zulke vragen stellen Drehmanns en de andere cultuurcritici niet. Hij blijft hangen in een door frustratie en nostalgie gedreven jammerklacht. Het enige wat hieruit kan voortvloeien is een onzinnige schijndiscussie.

Zelf ben ik drieëntwintig. Ik heb geen andere generatie schrijvers bewust meegemaakt dan de huidige. Uiteraard vind ik het ook jammer dat randvoorwaarden zo zwaar lijken te wegen, dat iemand met een flets geschreven waargebeurd verhaal vaak meer aandacht krijgt dan een auteur die een fijnzinnig fictieverhaal uitbrengt. Maar betekent dat nu dat er iets fundamenteel mis is met de moderne literatuur? Allerminst. Er verschijnen, tussen de vele opgeblazen autobiografieën, nog genoeg romans die echt de moeite waard zijn; romans die je net iets anders naar de werkelijkheid laten kijken, waarin niet gebruik wordt gemaakt van clichés of versleten beeldspraken. Ik weet niet of dat is wat Drehmanns bedoelt met ‘gevaarlijk schrijven’, maar het is wel precies wat ik van een roman hoop te krijgen. De laatste tijd heb ik bijvoorbeeld genoten van het werk van Jamal Ouariachi en Shira Keller – jonge, Nederlandse auteurs die duidelijk maken hoeveel er nog steeds kan binnen een roman en die risico’s durven te nemen met hun prikkelende verhaal, hun weloverwogen ritme, hun eigen toon.

Halverwege zijn betoog schrijft Drehmanns dat de „literatuur op sterven na dood is”. Een goed begin van de reanimatie: geen hele generatie schrijvers meer afwimpelen zonder ook maar in één zin over hun werk zelf te schrijven.

Thomas Heerma van Voss (1990) is schrijver. Hij debuteerde in 2009 met De allestafel. Enkele maanden geleden verscheen opvolger Stern.