Het zelf als een meccano-doos

Na een boek over zijn lichaam duikt Paul Auster in zijn nieuwe autobiografische relaas zijn geest binnen. Hij wil zijn jongere zelf documenteren, onder meer aan de hand van brieven aan zijn vriendin en latere eerste vrouw.

Auster onderzoekt de relatie tussen hem en de buitenwereld Filmstill The Incredible Shrinking Man

Paul Auster is nog niet uitgekeken op zichzelf. Vorig jaar verscheen Winterlogboek, waarin hij de geschiedenis van zijn lichaam beschreef. In zijn nieuwe boek, Bericht vanuit het innerlijk staat zijn geest centraal. Winterlogboek was een stroef boek. Austers gedetailleerde aandacht voor zijn eigen lichaam kwam wat potsierlijk over, vooral omdat hij zijn relaas in de tweede persoon enkelvoud deed. (‘Je bent zestien jaar. In juli en augustus heb je in de bediening gewerkt in een zomerkamp in de staat New York,’ enzovoort.) Dat gaf het geheel een plechtstatige toon en wekte de indruk dat de auteur het vooral tegen zichzelf had, en zijn lezers buitensloot.

In Bericht vanuit het innerlijk onderzoekt Auster de relatie tussen hem en de buitenwereld. Hoe deed de wereld zich vanaf zijn geboorte aan hem voor? Ook hier gebruikt hij de tweede persoon enkelvoud, maar het stoort minder, misschien omdat de auteur zich niet zo in zichzelf opsluit, en de lezer met hem mee naar buiten laat kijken. Wanneer Auster in het eerste deel zijn ervaringen als kind beschrijft, wordt het boek zelfs ontroerend, omdat hij precies de juiste toon van verwondering treft wanneer hij weergeeft hoe alles bezield was (‘zelfs de wolken hadden namen’), hoe ingewikkeld zijn ouders zich konden gedragen, hoe intens bevriend hij was met een personage uit een prentenboek. Hij beschrijft het eenzame, intelligente kind dat de vader is van de man – en van de schrijver.

Maar net wanneer je denkt dat Auster zich revancheert voor het Winterlogboek, gaat het mis. In het eerste deel van Bericht vanuit het innerlijk beschreef hij al hoe belangrijk films vroeger voor hem waren, en in het tweede deel komt hij daar nog eens op terug. Dat doet hij door twee films na te vertellen, The Incredible Shrinking Man (1957) en I Am a Fugutive from a ‘Chain gang’ (1932). Aan de eerste film besteedt hij zo’n twintig pagina’s, aan de tweede dertig. Je wilt best geloven dat die films grote indruk op hem hebben gemaakt, maar twee uitputtend navertelde films (waarvan in het fotokatern van het boek dan nog talloze afbeeldingen zijn opgenomen), dat is wel erg veel van het goede.

Dat wezenloze gevoel verdwijnt niet in het derde deel, dat gewijd is aan brieven die Auster als adolescent schreef aan Lydia Davis, die zijn eerste vrouw zou worden (en later bekend werd als vertaalster en schrijfster van korte verhalen). Dit deel is het gevolg van toeval: toen Auster aan Bericht vanuit het innerlijk werkte, kreeg hij via Davis transcripties van die brieven in handen. Voor Auster is deze vondst een fascinerende buitenkans. Deze brieven van zijn jongere zelf, die hij nu voor het eerst weer in handen heeft, geven hem de mogelijkheid zijn geheugen te toetsen aan wat hij destijds (vaak vanuit Parijs) schreef. Maar Auster citeert er zo uitgebreid uit dat de verveling algauw toeslaat. Zo voel je je weer buitengesloten.

Twee sleutelzinnen stemmen je toch weer milder. ‘Je dacht dat je geen sporen had nagelaten,’ schrijft Auster. En even later: ‘Voor iemand die halverwege de twintigste eeuw is geboren […] is jouw leven het minst gedocumenteerd van iedereen die je ooit hebt gekend.’ En opeens begrijp je waarom hij zo blij is met die teruggevonden brieven, en wat Auster met deze twee laatste boeken wil: hij wil alsnog zijn sporen zetten, de sporen vastleggen die zijn directe omgeving heeft nagelaten. En nu begrijp je ook de functie van de tweede persoon enkelvoud beter. Natúúrlijk heeft Auster het tegen zichzelf, hij probeert zichzelf op te bouwen uit het verleden waarin hij spoorloos dreigde te verdwijnen. Je staat erbij en kijkt ernaar, maar dat moet dan maar even, de schrijver heeft nu even belangrijkere zaken aan zijn hoofd.