Het beste toestel voor de beste prijs?

Over JSF wordt al jaren gediscussieerd.

Wat wil het kabinet kopen voor 4,5 miljard euro? 37 stuks van de Amerikaanse Lockheed Martin F-35 Lightning II, zoals de JSF officieel heet. Een kat in de zak? Of het beste paard van stal?

De discussie over ‘de JSF’ heeft zich lang voortgesleept. Een van de redenen daarvoor is dat de voorstanders het de tegenstanders zo makkelijk hebben gemaakt. Toen Nederland in 2002 besloot deel te nemen aan de ontwikkeling van het Amerikaanse gevechtsvliegtuig werd dit verkocht als: het beste toestel, voor de beste prijs.

En op papier was het dat ook. De Amerikaanse vliegtuigindustrie staat bijvoorbeeld niet bekend om haar onbetrouwbare producten. Kijk maar naar de F-16, die nog overal rondvliegt terwijl de andere kandidaten van de vorige gevechtsvliegtuigcompetitie, zoals de Zweedse Saab Viggen en de Franse Dassault F-1, in musea staan te verstoffen of op zijn minst naar de achterste echelons zijn verbannen. Door de grote productieaantallen zou de stuksprijs bovendien lager uitvallen dan die van de huidige mededingers, de Eurofighter Typhoon, de Saab Gripen NG en de Dassault Rafale.

En de belangrijkste troef van de VS: zij hadden hun nieuwste modellen op de tekentafel al voorzien van stealthtechnologie, die ze lastig waarneembaar maakt voor radarsystemen. Tel hierbij op dat de BV Nederland een graantje kan meepikken met beloofde bouworders en de casus voor aankoop van de JSF was rond.

Maar, dat was dus 2002. En die koopargumenten hebben sindsdien danig aan glans verloren. Het idee om zowel luchtmacht- als marine- als versies voor mariniers te ontwerpen, veroorzaakte talloze technische flessenhalzen.

Een ontwerp dat aan zoveel diverse eisen moet voldoen, dat werkt dus niet goed. Zo hebben onverdachte partijen, zoals de RAND-corporation, een soort Amerikaans TNO, intussen geconcludeerd dat de F-35 op het terrein van wendbaarheid, essentieel bij luchtgevechten met nabije tegenstanders, niet veel beter presteert dan gemiddelde gevechtsvliegtuigen uit de jaren zeventig. Can’t turn, can’t climb, can’t run, besloot RAND al in 2008 in een analyse over de JSF. En in de jaren daarna hebben projectmanagers en testpiloten zich frequent in gelijke geringschattende woorden uitgelaten in vakmedia en de pers, recent nog in het Amerikaanse blad Vanity Fair. Een van de reacties van het Pentagon op de tegenvallende prestaties was botweg het verlagen van de ontwerpeisen van het toestel.

Al dat gehannes met ontwerpen en het terugschroeven van orders maken dat ook nu nog onduidelijk is wat het vliegtuig per stuk gaat kosten. Het Pentagon noch Lockheed Martin kan dat precies berekenen. Defensie mag er nu 37 aanschaffen, maar als de prijs later meevalt, dan kunnen dat er best meer worden, suggereert het ministerie. Je hoeft geen ziener te zijn om te weten dat het er écht niet meer worden.

En toch. Een weinig gehoord argument voor de F-35 is de navenante prijsstijging van de andere kandidaten, die is namelijk ook niet mals. En hoeveel glitzy uitrusting ze er ook voor de luchtshows onderhangen, de Rafale, de Gripen en de Eurofighter stonden vijftien jaar eerder op de tekentafel dan de F-35. Het zijn Koude-Oorlog-kisten.

Of Nederland nu, in de vorm van twee squadrons F-35’s, een kat of een paard heeft aangeschaft, is nog steeds lastig te zeggen. Mocht de prijs alsnog verdubbelen, dan was het zeker een kat. Maar mogelijk bewijzen de toestellen zich met hun stealthtechnologie in een scenario dat we ons nu nog nauwelijks kunnen voorstellen. Verwacht het onverwachte, dat is voor militaire operaties nog nooit een slechte stelregel geweest.