Fatalisme en verzoening: twee handen op een buik

Op 12 december 2012 spoelde op een zandplaat bij Texel een bultrug aan. Er ontstond verwarring over het actieplan. Wegslepen? Spuitje geven? Opblazen? Uiteindelijk deed men niets en stierf het dier langzaam. Een half jaar later had de politiek een ‘protocol voor de stranding van levende grote walvisachtigen’ opgesteld. Nooit meer zou een groot zeezoogdier voor het oog van de natie creperen!

Niet iedereen is blij met het protocol. Als het aan bestuurskundige Paul Frissen ligt, laten we de volgende bultrug gewoon aan zijn lot over. We moeten niet verwachten dat de staat voor alles een oplossing heeft, betoogt hij in zijn nieuwe boek De fatale staat. Over de politiek noodzakelijke verzoening met tragiek.

Frissen borduurt hiermee voort op thema’s uit zijn eerdere boeken De Staat van Verschil en Gevaar verplicht. De politiek wil de samenleving volgens hem te veel kneden en controleren. Dit maakbaarheidsdenken kent twee verschijningsvormen. De eerste is het modernisme – zichtbaar in de gevestigde politieke partijen – dat de samenleving door middel van rationele interventies wil voltooien. Aan de andere kant staat het populisme, dat zegt een betere maatschappij te kunnen creëren door het volk te verlossen van zowel vreemdelingen als de elite.

De beloften van voltooiing en verlossing zijn onrealistisch en gevaarlijk, zo waarschuwt Frissen. De staat heeft het monopolie op geweld en belastingheffing, en daarmee een ongekende macht. Hij moet terughoudend met die macht omgaan en niet zwichten voor ‘de totalitaire verleiding’: de mogelijkheid om aan minderheden de moraal van de meerderheid op te leggen.

Als alternatief voor modernisme en populisme draagt Frissen het volgens hem ten onrechte impopulaire begrip ‘fatalisme’ aan. Als de overheid inziet dat niets doen soms beter is dan handelen, kan ze veel ellende voorkomen, zo is de gedachte. Bij het fatalisme is het sleutelwoord ‘verzoening’ – als tegenhanger van voltooiing en verlossing. Verzoening houdt in: acceptatie van de tragische onvolkomenheid van de mens en de wereld. Deze houding vraagt moed, geeft Frissen toe: het is niet gemakkelijk de ontevreden of bezorgde burger te vertellen dat hij gewoon pech heeft gehad.

Nieuw is Frissens analyse niet. Een halve eeuw geleden wees de filosoof Isaiah Berlin al op de onvermijdelijke tragiek van een pluralistische samenleving. En de voorkeur voor scepticisme boven idealisme kennen we van conservatieve denkers van Edmund Burke tot John Gray.

Dat neemt niet weg dat Frissens betoog een welkom geluid is in een tijd waarin na elk incident onmiddellijk de vragen ‘Hoe heeft het zover kunnen komen?’ en ‘Wat gaan we eraan doen?’ worden gesteld. Jammer is daarom dat Frissen wel het probleem benoemt, maar voor een oplossing te abstract blijft. Want wat betekent fatalisme in de praktijk? Dat Frissen een hekel heeft aan interventies in de persoonlijke levensstijl is duidelijk. Maar wat zijn bijvoorbeeld de consequenties van zijn ideeën voor de verzorgingsstaat? Frissen lijkt nivelleren geen ‘feest’ te vinden: verschillen tussen mensen zijn nu eenmaal een gegeven. Maar hij wil ook niet alles overlaten aan de markt. Het neoliberalisme is volgens hem evenzeer in de ban van het maakbaarheidsdenken als progressieve ideologieën.

Eenzelfde verwarring ontstaat wanneer Frissen schrijft dat de staat ‘een amoreel handelende instantie’ moet zijn. Maar kan een staat zich afzijdig houden van moraal? Elke vorm van herverdeling via belastingen is immers ingegeven door een idee over rechtvaardigheid.

De fatale staat behandelt een interessant probleem, maar maakt zijn pretentie – het bieden van een alternatief voor de interventiestaat – niet waar. Fatalisme, ironie, scepticisme: het zijn mooie begrippen, maar vaak moeilijk te vertalen naar de politieke praktijk. Hoe gealarmeerd Frissen ook klinkt, uiteindelijk is zijn boek te abstract en daardoor vrijblijvend om te kunnen dienen als een handleiding voor nieuwe politiek.

Floor Rusman