Er staat een dief langs de lijn

Een grensrechter die de hele tijd voor buitenspel vlagt, wordt een dief genoemd. Of erger. De spits zorgt voor de doelpunten, de keeper houdt de bal tegen, maar de man met de vlag maakt pas écht het verschil.

De grootste boeven bezorgen hun eigen ploegje minimaal tien extra punten per seizoen. De officiële benaming is assistent-scheidsrechter, maar mijn zogenaamde helpers doen er vaak alles aan om de boel te belazeren.

De grensrechter van vandaag maakt veel geluid tijdens zijn diefstal. „Buitenspel!” schreeuwt hij er telkens bij, om vervolgens druk op en neer springend met zijn vlag te wapperen, alsof hij in hoogst eigen persoon verantwoordelijk is voor de finish van een Formule 1-race.

„Laat die vent alsjeblieft kappen”, beklaagt de aanvoerder van Team 1 zich bij mij. Even later schiet zijn team de bal naar voren en gaat de vlag weer – en bijna zeker onterecht – omhoog. Ik laat doorspelen. Er wordt gescoord, de dief langs de lijn blijft schreeuwen en wapperen en elf woedende spelers van Team 2 stormen op me af.

„Hé scheids!” Ook de grensrechter staat ineens naast me op het veld. „Ik sta daar toch niet voor Jan Lul? Buitenspel is buitenspel!”

Ik zeg dat ik het anders zag en vermeld er onhandig bij dat ik al eerder in de wedstrijd aan zijn waarnemingen twijfelde. De dief noemt me een eikel, gooit zijn vlag vloekend op de grond en nog voor ik hem kan wegsturen, loopt hij zelf al kwaad richting de kantine.

Drie gele kaarten later gaat de storm liggen. Een reservespeler neemt de vlag over als er nog twintig, vervelende minuten op de klok staan. Na het doelpunt is Team 2 ruwer gaan voetballen. Op of soms over het randje.

„Doe er nou eens wat aan, scheids”, zegt een speler van Team 1. Ik snap hem wel, maar het lukt me niet. Vaak lijken het nét geen overtredingen, of heb ik het nare gevoel dat een fluitsignaal de wedstrijd nog erger uit de hand kan doen lopen. Vlak voor tijd scoort Team 2 de gelijkmaker, die gevierd wordt als het winnende doelpunt in de finale van de Champions League.

Ik fluit voor het eindsignaal. Alle spelers van Team 1 geven me een hand. „Goed gefloten”, zeggen ze, maar zo voelt het niet. Ik heb het einde van de wedstrijd zonder kleerscheuren gehaald, maar na dat discutabele doelpunt was ik… Ja, wat was ik eigenlijk?

Later, in m’n eentje in mijn kleedkamer, weet ik het pas. Ik was bang. Niet heel erg, maar net genoeg om mijn beslissingen er een klein beetje door te laten beïnvloeden.

De teams hebben vandaag gelijkgespeeld, de scheidsrechter heeft verloren.