Eigen haard is goud waard

Het federaliserende Europa is opnieuw de hoofdvijand in de nieuwe bundel opstellen van Thierry Baudet. Het ontbreekt hem niet aan brutaliteit, maar hoe open is zijn denken?

Foto Spaarnestad

Thierry Baudet is van 1983 en dus geen kind van de jaren zestig. Maar hij zou zich in de tijd van Nieuw Links en Notenkraker thuis hebben gevoeld. De jurist/historicus heeft ook onbedaarlijke lol in épater le bourgeois. Alleen: Baudet leeft bijna vijftig jaar later, én hij schept behagen in shocking the radical chic, die haar wortels juist heeft in diezelfde jaren zestig toen zij het establishment van de jaren vijftig op stang joeg. Met verve zelfs. Bescheidenheid is hem net zo vreemd als de vernieuwers een halve eeuw geleden. Ook Baudet beheerst de kunst van de provocatie.

Dat doet hij in zijn bundel Oikofobie door te pleiten voor kunst en architectuur die nu eens niet meer ‘choqueert’ maar door haar ‘schoonheid en harmonie’ juist geborgenheid biedt. Wie zo’n stelling nu poneert, sorteert bij de dominante goegemeente een vergelijkbaar choquerend effect als pakweg Karel Appel of Aat Veldhoen bij het establishment in hun jonge jaren. Ze past ook bij zijn interpretatie van de titel. In het voetspoor van de Britse filosoof en schrijver Roger Scruton ziet Baudet oikofobie (letterlijk huisvrees, zoals nomaden die kennen) de keerzijde van xenofobie.

Ook zijn these dat nationalisme de staat niet tot oorlog drijft, nee, dat juist imperialisme van expansionistische machten tot oorlogsgeweld leidt, is zo pontificaal dat de lezer verbluft een tijdje naar buiten staart. Dachten wij al die jaren dat er nooit onderling oorlog is gevoerd tussen welke EU-lidstaten dan ook – wel vóórdat ze lid werden, en hoe – poneert Baudet de stelling dat we al die jaren naar de verkeerde feiten hebben gekeken.

Wie is er hier brutaal? Thierry Baudet. Dat is charmant. Er is niets mis met een (jonge) intellectueel die zich niet wenst aan te passen aan de heersende mores maar een eigen referentiekader wil scheppen en daarom om zich heen mept. Dat deden columnisten als Piet Grijs indertijd ook. Boude redeneringen – ‘generalisaties’, zoals Baudet het met een verwijzing naar de wetenschapstheorie noemt – zijn dan onontbeerlijk. Maar dat ontslaat zelfs de wildste denker niet van de plicht een minimale intellectuele discipline en coherentie in acht te nemen. En die zijn soms zoek in Oikofobie, een bundel al eerder gepubliceerde en nu gerubriceerde columns met de pretentie een heus boek te vormen.

Gebrek aan coherentie wreekt zich als de jurist Baudet aan het woord is. Baudet gruwt van het Europese Hof voor de Mensenrechten in Straatsburg, een soort katholiek pauselijk gezag in juridische vermomming. Maar hij lijkt het wel goed te vinden dat ditzelfde Hof de sharia heeft verworpen als ‘onverenigbaar met de fundamentele principes van een democratie’.

De historicus Baudet is qua intellectuele discipline niet streng genoeg voor zichzelf. Ook in dit boek is het federaliserende Europa de hoofdvijand. Eén van de mythes die hij wil doorprikken, is de mythe dat de EU vrede zou hebben gebracht na al die oorlogen die nationale staten in de negentiende en twintigste eeuw voerden. Niets van waar, aldus de auteur. ‘Nationalisme leidt niet tot oorlog. Imperialisme leidt tot oorlog. De ambitie om een Europees rijk te vestigen leidt tot oorlog’.

Volgens Baudet werden Frankrijk, Duitsland en Sovjet-Rusland onder leiding van respectievelijk Napoleon, Wilhelm II, Hitler of Stalin niet gedreven door nationalisme. De Verenigde Staten en Japan, staten die ook menige oorlog hebben gevoerd, schitteren door afwezigheid in de bundel. Ook een filosoof als Johann Gottfried Herder (1744-1803), die met zijn idee over de Volksgeist een van de geestelijke vaders was van het politieke nationalisme in de negentiende eeuw, steekt de kop niet op. De functies van taal en godsdienst komen er eveneens bekaaid van af. Baudets definitie van nationalisme heeft veel weg van de wijsheid ‘Eigen haard is goud waard’.

Maar zelfs als we deze benadering voor lief nemen, ook al gaat die voorbij aan een boekenkast vol historiografie, dan nog dringt zich, verbluft naar buiten starend, een rijtje moderne oorlogen op waarin nationalisme een boventoon voerde. We laten, indachtig het eurocentrisme van Baudet, oorlogen als tussen India en Pakistan (1947, 1965, 1971) voor wat ze zijn. Maar was Bismarck een kosmopoliet toen hij eerst de Habsburgers versloeg (1866), daarna Frankrijk op de knieën dwong (1871), waarna hij een groot deel van het Duitse volk in één staat had herenigd? Was de Israëlische onafhankelijkheidsoorlog (1948) niet primair bedoeld om het in Europa geboren zionistische idee staatkundig vorm te geven? Waren de Joegoslavische oorlogen (1991-1999) alleen uitingen van Servisch imperialisme en hadden de Tsjetsjenen in hun oorlogen met Moskou (1994-1996/1999-2009) geen nationalistische aspiraties? Of wat beoogden organisaties als de ETA of IRA met hun gewapende strijd tegen Castilië en Engeland?

Aan dit soort falsificaties doet Baudet niet. Dat is raar. Want hij noemt Karl Popper als inspirator voor zijn strijd tegen ‘gesloten denksystemen’. Het is jammer. Zo wekt Baudet de indruk dat ook hij een hermetisch denksysteem koestert. Kortom, waar gaat dit boek eigenlijk over? Of is dat een burgerlijke vraag?