‘Een thema ontdek ik pas als een boek af is’

‘Als de wil er is dan overwin je veel obstakels.’ Hij kan het weten: 84 jaar en net weer een nieuwe, korte roman voltooid. Een gesprek over dat nieuwe boek, zijn columns, zijn optredens en het theater. ‘In de coulissen denk ik o god, brrrr.’

Remco Campert: ‘Alle figuren in het boek hebben iets met hun ouders – of juist niets’ Foto David van Dam

Misschien is het de leeftijd – volgend jaar wordt hij 85 – maar stilzitten is geen probleem voor Remco Campert. Alleen als de fotograaf het vraagt, beweegt hij zijn hoofd een paar centimeter naar links of naar rechts. Verder vertrekt de dichter geen spier.

Binnenin Campert is alles nog als vanouds in beweging, blijkt uit zijn net verschenen korte roman Hôtel du Nord. Daarin vertelt hij het verhaal van een matig succesvolle schrijver die naar een hotel in een fictieve Noord-Franse badplaats vlucht, maar dat ook een zedenschets van de toneel- en filmwereld is, een boek waarin Berlijn en Amsterdam worden aangedaan en waarin ten slotte een roddelzieke revolverjournalist opduikt.

Het begon met een droom, vertelt Campert als hij aan tafel zit in de ‘feestkamer’ van de uitgeverij waar hij al zestig jaar aan verbonden is. Hij rookt en drinkt cola. Dat laatste doet hij soms, zegt hij. Een uur later zal hij bij de medewerkers van De Bezige Bij aankondigen dat hij nu ‘twee glazen rode wijn’ gaat drinken. Zo precies probeert hij alles te formuleren: soms proevend, soms tastend, soms zichzelf hernemend. „Ik reageer nu eenmaal secundair.” Zijn zinnen eindigen regelmatig in een jeugdig ‘enzo’.

De droom was een droom over Afrika, een continent waar Campert nooit is geweest – tot dat moment zelfs niet in zijn dromen. Zo staat hij in de roman: ‘Ik sta op een heuvel en kijk uit over een landschap waarin de kleur roodbruin domineert. Aan mijn voeten op de door de zon geblakerde grond ligt een stervende hond. Ik sleep hem bij zijn achterpoten de schaduw in van een hut met lemen muren en een dak van golfplaat. In de hut zijn drie personen aanwezig […] De vrouw, die op een klapstoeltje zit, heeft hoog opgestoken blond haar. Ze is stevig gebouwd. Ze is gekleed in een kakikleurig mantelpak, waarvan de rok tot halverwege haar dijen is opgeschort. Met dit beeld word ik wakker.’

Campert noteerde zijn droom. Hij legt uit: „Dromen zijn niet onbelangrijk voor mij. Je reageert erin op je angsten en vreugdes, al zijn het eerder je angsten. Misschien is het een erfenis van het surrealisme dat ik daarmee bezig ben; het zit toch allemaal in je kop. Deze droom kon ik helemaal niet thuisbrengen, ik had geen enkel aanknopingspunt. Dus bedacht ik een man voor wie die droom net zo wezensvreemd was als voor mij.”

Dat werd de hoofdpersoon van Hôtel du Nord.

„Net als bij het schrijven van poëzie ga ik bij het maken van een roman helemaal intuïtief te werk. Ik had nog geen idee dat die droom zou uitgroeien tot een roman. Nadat ik had opgeschreven wie die de droom had gedroomd, dacht ik: Laat ik maar doorgaan, hoe hij opstaat en zo. Ik wist wel dat ik graag nog eens een roman wilde schrijven, al blijft dichten mijn kernvak, maar ik had geen idee waar die roman naartoe moest. Ik bedacht dat er behalve de man nog iemand bij moest, een actrice, en nog meer mensen. Ik wilde dat het gevarieerd en spectaculair was. Een thema ontdek ik vaak pas nadat een boek af is.”

In dit geval ook?

„Dit gaat over ouders en kinderen. Verder beschrijf ik werelden die ik leuk vind om te beschrijven en die ik ook in het echte leven leuk vind, zoals de theaterwereld. Alle figuren in het boek hebben iets met hun ouders – of juist niets. De hoofdpersoon heeft er geen, hij is opgegroeid in pleeggezinnen waaruit hij steeds weer is weggelopen, zoals hij aan het begin van de roman ook weer is weggelopen, naar Frankrijk.”

U heeft uw eigen vader nauwelijks gekend.

„Dat is een overeenkomst, maar persoonlijk ben ik veel lichtzinniger. Lichtvaardiger. Lichtvoetiger. Mijn vader [de dichter Jan Campert] verdween uit ons gezin toen ik drie was en is later in de oorlog vroegtijdig overleden in Neuengamme. Mijn moeder was actrice. Zij was er nooit eigenlijk, speelde acht voorstellingen per week. Ik ben veel uitbesteed aan oppassen en pleeggezinnen, maar ik had geen enkele reden om weg te lopen.”

De hoofdpersoon is voor alles op de vlucht geslagen, maar keert uiteindelijk weer braaf terug onder de mensen.

„Hij zit in een heel klein netje in dat Franse vissersdorp. Ik heb lang getwijfeld of ik hem nog dieper in de put moest laten zakken, maar dat is strijdig met mijn aard. Ik had hem aan het eind zelfmoord kunnen laten plegen, het totale einde van alles, maar dan had ik het boek net zo goed niet kunnen schrijven.”

Meent u dat?

„Ja. Ik ben geneigd om mensen niet verloren te laten gaan. Ik moet hem redding bieden, misschien mezelf ook wel. Anders wordt alles te somber en te gruwelijk – dan is het niet leuk.”

Wat is er mis met de man?

„Hij is een schrijver zonder zelfvertrouwen. Hij was niet van talent verstoken, maar is één keer streng veroordeeld door een collega en vervolgens gestopt met dichten. Van dat schrijversleed. Mij is zoiets nooit overkomen. Ik heb ook weleens dergelijke kritiek gehad, van Gerard Reve, maar dat heeft me er niet van weerhouden om door te dichten. Natuurlijk heb ik vroeger ook wel eens getwijfeld aan mijn kunnen, dat zijn de gewone dingen.”

U werkt gestaag door, schrijft ook nog steeds columns voor de Volkskrant.

„Als de wil in je aanwezig is, dan overwin je veel obstakels. Het is doorwerken, soms vertwijfeld zuchten en toch maar weer doorwerken. Mijn kop zit gevangen in dat hoe-moet-ik-nu-verder-achtige. Het is mijn grote liefde, schrijven. En enkele vrouwen.

„Vrijwel alles begint met een inval, vaak als ik op straat ben. Als ik dan thuis ga zitten, in mijn geval achter de schrijfmachine, dan weet ik vaak pas wat het gaat worden. De inhoud nog niet, maar wel of het een gedicht, een verhaal of een column wordt.”

Vroeger trad u veel op, maar dat doet u niet meer.

„Het is te vermoeiend geworden. Met Jan Mulder trad ik zestig keer per jaar op; ik heb daar enorm van genoten. Elke keer was dat een overwinning. In de coulissen denk ik o god, brrr. Eenmaal op het bühne valt dat van me af en dan heb ik vrij veel zelfvertrouwen, al moet het niet ontaarden in totale ijdelheid. Ik zou nooit acteur kunnen zijn, maar ik kan mijn eigen werk goed, aardig brengen, denk ik. Weet ik.

„Vroeger was ik verlegen als een gek. Stond ik te stotteren, raffelde mijn poëzie af om er maar vanaf te zijn. Dat heb ik in korte tijd afgeleerd: diep ademhalen en dan vertellen.”

Dat had uw moeder u ook kunnen uitleggen. Je zou denken dat de zoon van een actrice op zijn zeventiende stralend het podium op stapt.

„Ik ben opgegroeid tussen de acteurs, kom in zekere zin uit een acteursgeslacht. In de kleedkamer zag ik hoe mijn moeder zich toetakelde voor een rol. Ik vind het nog steeds een fantastische wereld. Vandaar ook dat die een grote rol heeft in de roman. Het personage Nora Dorée is zo’n hele goede jonge actrice, zoals die eens in de tien jaar voorkomt: Carice van Houten, Halina Reijn of nu Katja Herbers. Ik heb haar niet speciaal naar één persoon gemodelleerd.

„Het heeft lang geduurd voor ik zelf iets durfde. We traden met de Vijftigers al op. Lucebert kon het prachtig, die kon alles prachtig. Ik niet. Ik mummelde maar wat weg. Inmiddels zijn Gerrit Kouwenaar en ik de enigen die nog over zijn van de Vijftigers.

Uw roman gaat over ouderschap en speelt zich af tussen de acteurs. Heeft u veel aan uw moeder gedacht tijdens het schrijven?

„Nee. Aan het wereldje misschien wel, maar niet aan mijn moeder speciaal.”

Campert zwijgt even: „Ik zit na te denken of het waar is wat ik zeg, maar ik geloof het wel.”

Waar bent u nu mee bezig?

„Met een dichtbundel, die verschijnt hopelijk volgend jaar. In oude bundels zie ik nog wel gedichten die ik minder goed vind, maar die horen nu eenmaal bij een bepaalde periode in je leven. Het is onzin om ze er nu nog uit te halen.

„Ik gooi er meer uit dan ik vroeger deed; ik ben kieskeuriger geworden. Voor die bundel heb ik al veel liggen, maar er moet nog iets bij.”