Een man die weet wat inkt vermag

Een postbode die de pest aan post heeft is maar één van de wonderlijke figuren die tekenaar en beeldhouwer Koenraad Tinel vastlegde in zijn samen met Stefan Brijs gemaakte boek. Scènes worden keihard tot hun kern teruggebracht.

In het Belgische Pajottenland liggen de Ledeberg, Kongoberg, IJsberg, Snikberg, Tuitenberg, Zwijnenberg, de Putberg en nog meer bergen, aldus wikipedia. Een groot woord dat ‘berg’ want de hoogste steekt 112 meter boven zeeniveau uit. Tussen die heuvels ontmoette de daar woonachtige Belgische beeldhouwer en tekenaar Koenraad Tinel (1934) eigenaardige lieden, en kwamen hem eigenaardige verhalen ter ore. In een dik boek heeft Stefan Brijs (1969) opgeschreven wat Tinel hem vertelde, en dat heet Verhalen van het Pajottenland . Het boek draait niet om de zes verhalen van Brijs, vermaard om zijn roman De engelenmaker, maar wél om de honderden tekeningen waarmee Tinel ze in zwarte, bruinzwarte en gewassen inkt, plus wat verf wellicht, heeft geïllustreerd.

Tinel is een vakman, die weet wat inkt vermag, zoals bewezen in eerdere boeken. Met een weids palet van grijstinten, in een fors en dan weer zacht, in een grof en dan weer fijnmazig lijnenspel, komen ontmoetingen en dorpsdrama’s op papier tot leven. Zijn stijl is a-modieus, een beetje ouderwets zelfs, maar in zijn koolzwarte accenten ook expressief, en herinnerend aan de boerse bonkigheid van Constant Permeke (1886-1952).

Neem de beschonken postbode Kamiel die in de barre winterkou met zijn brommer de Pajottenheuvels moet bestijgen en eenmaal aangekomen bij de tekenaar met voertuig en al omdondert. Tinel, die hem nóg een ‘druppelke’ serveert, rijdt hem in het diepe duister naar huis en luistert onderweg naar het Kamiels verdriet om zijn zieke vrouw. De postbode heeft zo’n pest aan post dat hij tenslotte zijn lading in de schoot van zijn chauffeur smijt.

Oké, erg veel schokkends gebeurt er niet, maar stapsgewijs, in dertig tekeningen, volgt Tinel zijn filmische herinneringen aan die ene winteravond, met compassie voor die verdrietige postbode, die zich gebogen maar niet gebroken een weg baant door mist, sneeuw en verlatenheid.

Dat het dorpse bestaan in Pajottenland (een pajot was ooit een soldaat) geen idylle is, blijkt ook uit de familievetes. Elk personage, elke ruzie, zelfs de percelen waar het conflict om draait, krijgen contour. Van subtiele gezichtsuitdrukkingen moet Tinel het niet hebben, maar wél van de entourage en de sfeer waarin het broeien en stoeien zich bij bij nacht en ontij in schaduw en schemering afspeelt. Boeren vergrijpen zich in hun stal aan meisjes en kalveren. Een sterke varkensbeer ontsnapt en dendert de dorpskerk in om uitgeput op het altaar neer te vallen, waar hij door de meute wordt doodgestoken. Nee, dit boek is niet bestemd voor Leden van de Partij voor de Dieren, want er wordt ruimschoots en hardhandig in inktspetters geslacht.

Vooral het openingsverhaal is in zijn gruwelijkheid onvergetelijk. Tinel ziet op een dag hoe ‘een donkere massa’ zich voortbeweegt met ‘een driewieler’ achter zich aan. Een man zonder onderlijf die door de modder strompelt. Tinel bindt zijn wagentje achter zijn auto en rijdt hem naar het nonnenklooster, waar hij tuiniert.

Wat blijkt: uit avontuurzucht was deze Kornil in de oorlog naar Duitsland getrokken; vanwege de gruwelen in Oekraïne op de vlucht geslagen; door de Russen gepakt, uitgekleed, vastgebonden en in het winterwater neergepoot. Bijna dood werd hij gered door een Oekraïense. Zij ontfermde zich over hem, zijn benen werden geamputeerd en aan de honden gevoerd. En maanden later is hij er ’s nachts, onder het jammerlijke gekrijs van zijn verzorgster vandoor gegaan – heimwee naar België.

Elk fragment van dat relaas is op papier een inktzwart drama dat vaak meer effect sorteert dan een foto of filmbeeld, omdat de scènes keihard, zonder de opsmuk van een strip, tot hun kern zijn teruggebracht. Die particuliere oorlogsmisère kleeft nog lang aan je netvlies.