De brug over de kloof tussen lage en hoge kunst

Componist Francis Poulenc was een exponent van het vooroorlogse neoclassicisme, en componeerde even lief een lied voor Edith Piaf als een zeer katholieke opera. Een middenpositie die hem in de jaren vijftig eindeloos populair maakte.

In Nederland gaat het vrijwel onopgemerkt voorbij, maar in Frankrijk krijgt het ruime aandacht: het vijftigste sterfjaar van componist Francis Poulenc (1899-1963). Er zijn concerten, nieuwe edities van zijn werk plus een nieuwe biografie, de lijvigste tot nu toe. Die omvang (1100 bladzijden) verraadt al dat de auteur grootse plannen had. Bovendien getuigen zijn eerdere publicaties over negentiende-eeuwse Franse muziek van een duidelijke visie en aanpak. Wie met die kennis aan deze biografie begint, wordt gedeeltelijk verrast.

Francis Poulenc gold tijdens zijn leven als een goede componist, zij het niet van het uitzonderlijke kaliber van Mozart of Strawinsky, een oordeel dat de componist volmondig onderschreef. Zijn stijl was resoluut klassiek met populaire tinten in een tijd waarin de boeken vernieuwing hoog aanschreven.

Boeken over leven en werk van Poulenc (bijna alle in het Frans; ook de meeste van zijn vertolkers waren Fransen of woonachtig in Frankrijk) benadrukten de moeiteloze versmelting van een leuke kwajongen en ernstige gelovige en waren uiterst summier en globaal inzake de belangrijkste kenmerken van zijn persoon en zijn stijl.

Na zijn dood en nadat homoseksualiteit uit de taboesfeer was gehaald, beleefde de componist, wiens aard bij intimi al jaren bekend was, alsnog zijn coming out. Zijn leven kreeg zoveel aandacht dat Poulenc haast een homoseksueel van beroep leek te zijn, die in zijn vrije tijd wat componeerde. Met name de publicatie van een sterk uitgebreide editie van zijn correspondentie droeg hieraan bij.

Lacombe legt gedeeltelijk andere accenten. Centraal staat voor hem het verloren paradijs dat Poulenc beleefde als kind vóór de Eerste Wereldoorlog in een rijkeluismilieu dat half gesitueerd was in Parijs, half in Noizay, departement Tours, waar de familie een kasteeltje bezat. Kunst stond in hoog aanzien, het mensbeeld was half katholiek half liberaal, en de favoriete muziek was in de stijl van die tijd, deels klassiek en deels populair zonder veel diepgang.

Aan die idylle kwam een einde tijdens de Eerste Wereldoorlog, de dood van zijn ouders, de erfenis die hem financieel en artistiek onafhankelijk maakte, de ontdekking van zijn homoseksualiteit die hij beschouwde als een zonde, de ontdekking van een eigen muzikale stijl onder invloed van de vernieuwers Satie en Stravinsky en het besef zich thuis te voelen in zowel de high society als onder het gewone volk.

Vanaf dat moment volgt Lacombe drie sporen. Ten eerste bevestigt hij de heersende beelden met een overvloed aan nieuwe feiten. Ten tweede gebruikt hij gebeurtenissen als aanleiding voor mini-essays over onder meer de stand van het ballet rond 1920, het katholicisme in Frankrijk, homoseksualiteit, Poulenc en de politiek, Poulenc als vertolker, niet alleen van eigen werk, zijn welbevinden in diverse sociale lagen en zijn positie in het Franse muziekleven.

Onbegrepen

Bij dit laatste komt het derde en interessantste aspect van het boek aan het licht. Vóór 1945 voelde Poulenc in het internationale muziekleven zich als een vis in het water, na de oorlog daarentegen geïsoleerd en onbegrepen. Dat lijkt vreemd, gezien de grote erkenning die hij genoot, binnen en buiten Frankrijk. Hij trad veel op als pianist, ook in Nederland, dat hij in 1939 nog omschreef als een Duits georiënteerd land, maar waarover hij na 1945 veel positiever dacht.

Al zegt Lacombe het niet met zoveel woorden, componerend Frankrijk kende na 1945 geen lingua franca meer. Het vooroorlogse neoclassicisme, waarvan Poulenc een van de beste exponenten was en waarin hij na 1945 bleef componeren had afgedaan, terwijl een nieuw dominant idioom nog niet was doorgebroken, al waren er wel opmerkelijke individuen zoals Dutilleux, Jolivet, Messiaen en Boulez.

Poulencs relatie met de laatste is veelzeggend. Hij erkende de grootheid van Boulez, maar had geen affiniteit met diens taal. Boulez op zijn beurt had niets met Poulencs muziek, maar waardeerde hem om zijn openheid die hij mistte bij veel van Poulencs generatiegenoten. Alle naoorlogse kopstukken zijn of waren bovendien componisten van hoge muziek, terwijl Poulenc streefde naar een samengaan van hoge en lage kunst. Hij componeerde even lief voor Edith Piaf als een zeer katholieke opera, Dialogues des Carmélites.

Poulencs populariteit in Nederland in de jaren vijftig heeft wellicht te maken met het feit dat ook de Nederlandse toonaangevende componisten toen streefden naar deze middenpositie in de hoop in beide kampen ingang te vinden. Door Poulenc in deze positie te proppen, laat Lacombe hem aansluiten op de Franse negentiende-eeuwse opera waaraan hij enkele standaardteksten wijdde.

Complex

Poulenc is voor Lacombe precies wat wij nu node missen: de overbrugger van de kloof tussen hoge en lage kunst. Poulencs muziek heeft een directheid en toegankelijkheid waarop men Boulez zelden zal betrappen. Tegelijkertijd is zijn werk verfijnd en complex.

Lacombe is meer een kundige historicus dan een polemist. Ook zijn stijl is eerder goed dan briljant. Hij geeft aan hoezeer het Franse muziekleven in 1963 verschilt van dat in 1899, maar hij toont zich net als zijn onderwerp eerder een milde nostalgicus dan een felle reactionair.

Poulencs positie werpt een extra licht op zijn muziek. De ironie in zijn werk is altijd een knipoog naar een kant die in het onderhavige werk op de achtergrond staat. Niet toevallig zijn Poulencs beste werken te situeren in dit ‘middengebied’: liederen met een populaire inslag, concerten, de genoemde opera en zijn Fluitsonatine. En last but not least was hij veel te bescheiden over zijn eigen kunnen. Hij is geen Mozart of Stravinsky, maar weinig mindere goden verdienen en krijgen zo’n onderhoudende biografie.