De beste

Nederland begint op voetbalgebied zowaar een minderwaardigheidscomplex te ontwikkelen. Dat is wel eens heel anders geweest. Achttien jaar geleden kon Ajax-coach Louis van Gaal nog tegen zijn feestvierende aanhang brullen: „Wij zijn de beste! Wij zijn de beste! En niet alleen van Amsterdam, maar ook van Rotterdam. En ook van Eindhoven. En ook van Europa. En dus zijn we de beste van de…(publiek) WERELD!”

Kom daar nu eens om. Vóór de wedstrijd van Ajax tegen FC Barcelona knepen we ’m allemaal als een ouwe dief, die zich niet langer opgewassen voelt tegen zijn jonge, al of niet Roemeense, collega’s. We voorzagen een afslachting, dubbele cijfers waren niet ondenkbaar.

Terwijl de wedstrijd vorderde, betrapte ik mezelf erop dat ik om de vijf minuten op mijn horloge keek en dacht: „Nog steeds 0-0.” Bij de rust beseften we opgelucht dat het geen monsternederlaag zou worden, tenzij doelman Kenneth Vermeer de zenuwinstorting kreeg waarvoor hij wel enige aanleg lijkt te hebben.

Dat is geen prettig kijken meer. Je ligt als kijker op een soort pijnbank, terwijl de beul snuffelt aan je teennagels die hij straks bedaard, maar met een vreselijk enge tang, één voor één zal uittrekken – dit bij wijze van voorproef van het bloediger werk.

Uiteindelijk werd Ajax niet afgeslacht, maar afgehandeld, als een simpele klus die even geklaard moest worden. Hoewel FC Barcelona niet meer het grote team van weleer lijkt, was het klasseverschil nog altijd ontluisterend groot. De conclusie was onontkoombaar: het Nederlandse clubvoetbal heeft op dit niveau niets te zoeken. Alleen de supporter met masochistische neigingen komt nog aan zijn trekken tijdens de duels met de grote teams.

Kan Ajax het helpen? Nee, net zomin als PSV dat onlangs even machteloos was tegen AC Milan. Ajax heeft een nieuwe Cruijff nodig, schreef een krant. Dat zou mooi zijn, maar om die nieuwe Cruijff een poosje te kunnen vasthouden, heeft Ajax vooral een onbedaarlijk rijke oliesjeik of een Russische maffioso nodig. Zolang die zich niet meldt, of niet geaccepteerd wordt, zakt ons clubvoetbal steeds verder af, tot aan Luxemburgs niveau toe. Het was geen toeval dat FC Utrecht al van een team van Luxemburgse kantoorbedienden en cafébazen verloor.

Voetbal is pure commercie geworden. De rijkste wint. De UEFA probeert nu met een nieuw financieel systeem meer gelijkheid tussen de clubs te krijgen, maar ik kan me niet goed voorstellen dat het lukt – daarvoor zijn de topclubs te machtig geworden.

Intussen blijven ze bij Ajax zeer optimistisch, Johan Cruijff en Frank de Boer voorop. Aansluiting bij de Europese top achten ze nog altijd mogelijk via het opleiden van jong talent. Maar zolang dat jonge talent moeiteloos kan worden weggekocht, is er geen grote verandering mogelijk.

Een nieuwe mythe is ontstaan: die van Cruijffs zogenaamde fluwelen revolutie bij Ajax, drie jaar geleden. Die mythe wordt als volgt instandgehouden: elk succesje, zoals het landskampioenschap, wordt als de oogst van die revolutie geclaimd; elke tegenvaller wordt weggeredeneerd met een verwijzing naar de toekomst: pas over drie tot tien jaar kunnen Cruijffs vruchten worden geplukt. Zo krijgt Cruijff altijd gelijk.

Pas als we allemaal op het kerkhof liggen, worden we weer de beste van de WERELD. De enige die ervan kan profiteren, is Cruijff (J.C.) want, zoals bekend, alleen hij is onsterfelijk.