Bedrijven langs de groene meetlat

Betekent een toppositie in de Dow Jones Sustainability Index een topprestatie op het gebied van vergroening? De index is prestigieus, de uitkomst relatief. „Het zijn geen duurzame bedrijven.”

Foto's Getty images, shutterstock, bewerking fotodienst nrc

De publicatie van de duurzaamheidsindex van Dow Jones is een soort sinterklaasavond voor managers van grote ondernemingen. Vol verwachting klopt hun hart, want hun bonus is vaak afhankelijk van een vermelding in deze prestigieuze lijst.

Op de vorige week gepubliceerde Dow Jones Sustainability Index 2013 staan veertien Nederlandse bedrijven; één meer dan vorig jaar. ING heeft een plaats weten te verwerven.

Duurzaamheid is het onderwerp waarmee ondernemingen zich profileren. Het aantal duurzaamheidslijsten is de afgelopen jaren dan ook geëxplodeerd. De Dow Jones Sustainability Index is de bekendste en meest prestigieuze groene meetlat.

„Het zijn geen duurzame bedrijven die in deze index staan”, nuanceert Jan Willem van Gelder, oprichter en directeur van onderzoeksbureau Profundo. „Het zijn bedrijven die het, volgens de opstellers van de index, binnen hun sector op het gebied van duurzaamheid net iets beter doen dan de rest.”

De informatie die de index verschaft over duurzaamheid is relatief, zegt ook Tim van der Weide, adviseur verantwoord beleggen bij pensioenuitvoerder PGGM (belegd vermogen ruim 143 miljard euro). „Het zegt alleen iets over de positie ten opzichte van de concurrenten. De index zegt niks over de ecologische afdruk van een bedrijf.” PGGM heeft daarom een eigen duurzame index ontwikkeld, „waarbij het accent ligt op het prikkelen van ondernemingen tot beter gedrag”.

De publicatie van de Dow Jones Sustainability Index (DJSI) wordt door de groene koplopers gebruikt om ronkende persberichten te versturen. ‘AkzoNobel behoudt toppositie op ranglijst DJSI’, liet het grootste verfconcern ter wereld direct weten. AkzoNobel staat op de eerste plaats in de categorie materialen, die vorig jaar nog onder chemische industrie vielen. „Wij zijn erg blij en enorm trots dat we wederom bovenaan deze prestigieuze en belangrijke ranglijst staan”, reageerde bestuursvoorzitter Ton Büchner.

Zijn collega’s Frans van Houten van Philips en Paul Polman van Unilever waren dit jaar minder euforisch. Zij zijn niet meer de nummers 1 in hun sector en moeten genoegen nemen met een notering achter hun concurrenten. Unilever werd gepasseerd door het Zwitserse concern Nestlé en Philips moest het Duitse Siemens voor laten gaan. Philips publiceerde een summier persbericht, Unilever besteedde er helemaal geen aandacht aan. Dat laatste is opmerkelijk omdat Paul Polman, samen met bestuursvoorzitter Feike Sijbesma van DSM (op een paar decimalen afgetroefd door AkzoNobel), geldt als voorbeeld van topondernemers die duurzaamheid in de praktijk brengen.

„Of Unilever nu nummer 1 of 2 staat, is voor ons niet erg belangrijk”, zegt Marco Gulpers, hoofd Benelux aandelenresearch bij ING. „Het is belangrijker hoe een bedrijf met duurzaamheid in zijn bedrijfsvoering omgaat. De duurzaamheidsindex van Dow Jones is een van de vele informatiebronnen die we gebruiken in onze analyses.”

Volgens Gulpers heeft Paul Polman zijn nek uitgestoken met de toezegging dat Unilever in 2020 alle voedingsingrediënten uit duurzame landbouw zal betrekken. „Dat wordt nog steeds gezien als een grote doorbraak. Zo’n index helpt bij het focussen op duurzaamheid.”

Schaamlap

De Dow Jones Sustainability Index wordt sinds 1999 gepubliceerd. Voor steeds meer bedrijven is de index een graadmeter of ze het op het gebied van duurzaamheid goed doen.

De Dow Jones-index wil beleggers betrouwbaar en objectief vergelijkingsmateriaal geven. De index levert, vinden beleggers, betrouwbare informatie voor investeerders die niet alleen kijken naar de winstontwikkeling. In een onderzoek van de Verenigde Naties, een paar jaar geleden gepubliceerd op het World Economic Forum in Davos, werd de index getypeerd als de meeste gedetailleerde en inhoudelijk maatstaf.

„De huidige duurzaamheidsindexen, de DJSI incluis, verhullen meer dan ze verhelderen”, zegt daarentegen Piet Sprengers, hoofd duurzaamheidsbeleid en onderzoek bij ASN Bank. „Ze bieden bedrijven onvoldoende houvast over wat duurzaam ondernemen is, met als risico dat ze – na het keurig voldoen aan wat formaliteiten – gewoon niet duurzaam doorgaan. Ook verschaffen ze investeerders een lijst om zich achter te verschuilen. De indexen maken onvoldoende keuzes en fungeren daardoor als rookgordijn.”

ASN – dat een portefeuille heeft van ongeveer 10 miljard euro aan spaargeld en 1,3 miljard aan beleggingen – hanteert criteria waarbij gebruik wordt gemaakt van gespecialiseerde onderzoeksbureaus, zoals het Nederlandse Sustainanalytics of het Britse TruCost.

Onafhankelijkheid

Drie jaar geleden ontstond discussie over de politieke onafhankelijkheid van de Dow Jones-index. Shell was van de lijst geschrapt vanwege zijn aanwezigheid in Nigeria. Milieuorganisaties voerden al jaren acties tegen Shell om vervuiling (bij de winning van olie en het affakkelen van gas) in Nigeria een halt toe te roepen. De opstellers van de index vonden de vervuiling vergelijkbaar met de door BP veroorzaakte olieramp in de Golf van Mexico. Omdat BP om die reden uit de index werd verwijderd, trof Shell hetzelfde lot. Beide concerns hebben nog geen plek op de index weten te heroveren.

Het management van Shell dreigde last te krijgen van het feit dat het bedrijf was geschrapt: de bonus was gekoppeld aan een vermelding in de index. Maar via een omweg werden de misgelopen bedragen alsnog toegekend. Shell gebruikt de Dow Jones-index nu niet meer als maatstaf voor duurzaamheidsbonussen – 20 procent van de bonus wordt nu bepaald door het al dan niet halen van duurzaamheidsdoelen, zoals energiezuinigheid en het verminderen van olielekkages.

Koffiekopjes

De Dow Jones-index wordt samengesteld door Sustainability Asset Management (SAM) in Zürich, in 1995 opgericht om onderzoek te doen naar duurzaam beleggen. Sinds 2006 is het een onderdeel van Robeco en dit jaar is de naam veranderd in RobecoSAM. Bij het bedrijf werken 110 mensen en het onderzoek wordt gefinancierd door bedrijven en instellingen die gebruik maken van het datamateriaal van RobecoSAM en daarvoor moeten betalen.

„Wij zijn analisten, dus eigenlijk begint ons onderzoek met een gedegen ESG-onderzoek”, zegt woordvoerder François Vetri. ESG staat voor Environmental, Social en Governance. In een ESG-onderzoek worden het beleid en de prestaties van een bedrijf onderzocht op sociaal terrein, milieubeleid en bestuur. „Wij niet geïnteresseerd in de planten op het dak, maar in concrete cijfers”, zegt Vetri.

Voor de index van dit jaar zijn wereldwijd 3.300 beursgenoteerde bedrijven uitgenodigd om een lijst met ruim honderd vragen in te vullen. Over energieverbruik, emissie, duurzaamheidsbeleid, integraal ketenbeheer, langetermijnstrategie. In totaal 818 bedrijven hebben de lijst ingevuld. SAM maakt ook gebruik van openbare informatie van de bedrijven – voor de index van dit jaar is dat bij 1.013 bedrijven gedaan. In totaal zijn 1.831 bedrijven geanalyseerd.

Hoe de data worden verwerkt, is ‘het geheim van SAM’. Niet alle informatie is openbaar omdat ondernemingen ook vertrouwelijke gegevens leveren en beleggingsmaatschappijen bovendien informatie van SAMRobeco kunnen kopen.

De ‘geheime’ rekenmethode van SAM levert ook irritatie op bij bedrijven. „Wij hebben geen idee waarom we dit jaar weer geen notering hebben”, zegt bijvoorbeeld een woordvoerder van Shell. „Dat is balen.”

De opstellers onderscheiden 24 industriële sectoren en bepalen vervolgens het best presterende bedrijf. AkzoNobel voert de lijst aan in de sector materialen, in de luchtvaart is Air France-KLM het meest duurzaam, in de auto-industrie staat Volkswagen op nummer 1. Dat laatste noemt ASN-onderzoeker Sprengers „absurd”: „Volkswagen was een van de drijvende krachten achter de Duitse lobby om Brussel te overtuigen dat er geen strengere CO2-eisen moesten komen. Terwijl strengere eisen juist beter zouden passen in een duurzaamheidsbeleid.”

Op de lijst staan de „grote gearriveerde bedrijven”, zegt Jan Willem van Gelder van Profundo. „De kleine innovatieve bedrijven die echt met radicale oplossingen komen, staan er niet in.” De onderzoeker van Profundo heeft ook kritiek op de methode van RobecoSAM ten aanzien van de financiële instellingen. „De duurzaamheidsprestaties van productiebedrijven zijn toch wat makkelijker te beoordelen dan die van banken, simpel gezegd omdat heel duidelijk is waar de fabrieken van een productiebedrijf staan, terwijl niemand weet waar het geld van banken precies in wordt geïnvesteerd.”

SAM kijkt volgens hem bij banken naar het beleid „rond koffiekopjes en vliegreizen”, waar banken in investeren weet SAM niet en beoordeelt het Zwitserse bureau dus ook niet. Dit jaar zijn bijvoorbeeld Bank of America, de Zwitserse bank UBS en ook ING toegevoegd. „Deze banken verstrekken relatief veel leningen aan olieproducenten en kolenmijnbouwbedrijven. Niet echt investeringen gericht op duurzaamheid.”