Antieke Mesopotamiërs hadden onverwacht vaak Indiaas DNA

Mensen uit verschillende tijden in het antieke Midden-Oosten blijken genetisch nauw verwant met Indiërs.

Tot nu toe was er weinig bekend over de verwantschap van mensen die in de Oudheid in het Midden-Oosten leefden. De huidige bevolking is nauwer verwant aan mensen in het westen dan in het oosten. Maar nu zijn uit tanden DNA-kenmerken gereconstrueerd van vier mensen, die in verschillende tijden leefden aan de Eufraat (tussen 2500 voor Chr en 600 na Chr.). En alle vier behoren ze tot DNA-types die nu juist vooral voorkomen in Zuid-Azië en de Himalaya.

De betrokken mutaties in dit mitochondriaal DNA zijn waarschijnlijk tienduizenden jaren eerder ontstaan, in India en Tibet. Dit schrijven Poolse en Estse onderzoekers in PLOS ONE (11 september). Bij de twee eerdere keren dat er bij antieke Mesopotamiërs DNA kon worden geanalyseerd werd er juist verwantschap gevonden met DNA-types die nu algemeen zijn in Noord-Afrika, West-Azië en Europa.

De makkelijkste verklaring voor de onverwachte verwantschap met oostelijke volken is dat het hier om reizende kooplieden uit Zuid-Azië gaat, die aan de Eufraat stierven. Er was al vroeg contact tussen de Indus-beschaving en het Midden-Oosten Maar het feit dat de Oosterse DNA-types bij alle vier mensen uit verschillende periodes werd aangetroffen, maakt die verklaring nogal onwaarschijnlijk.

Een andere mogelijkheid is dat de eerste Mesopotamiërs uit het Oosten kwamen. De Sumeriërs, die de eerste Mesopotamische beschaving stichtten, spraken een taal die met geen enkele bekende taal verwant is en volgens de traditie kwamen ze van buiten het gebied. Al eerder is gesuggereerd dat ze uit India of misschien wel Tibet kwamen.

Een belangrijke demografische breuklijn in de geschiedenis van Irak is de dertiende eeuw, toen het gebied door de moordpartijen en ontberingen tijdens de Mongoleninvasie bijna ontvolkt werd. Die gebeurtenis kan de sporen van Indiase DNA-typen in de moderne bevolking hebben uitgewist. De huidige inwoners zouden dan vooral afstammen van boeren uit West-Syrië en Zuid-Anatolië en bedoeïenen die het gebied later ‘herkoloniseerden’.

De onderzoekers analyseerden het DNA uit tanden van vier personen aan de middenloop van de Eufraat in Noord-Irak. Het gaat om een man van 40 uit de Sumerische tijd (ca. 2500 v. Chr), een man van een jaar of 28 uit de Akkadische periode (ca. 2200-1900 voor Chr.), een vrouw van 25 uit de Romeinse tijd (200 à 300 na Chr.) en een dertigjarige man die leefde in de Byzantijnse, vroeg-Islamitische tijd (circa 500-700 na Chr.). Het DNA bleef redelijk bewaard doordat de lichamen relatief diep (1,5 à 2 meter) in de grond waren begraven. Die diepte behoedde het DNA voor hitteschade.