Ze hebben geen geld en kunnen niet voetballen

Ministers krijgen soms de gekste vragen, zoals laatst Jeroen Dijsselbloem van Financiën. Of hij kan voetballen, wilden de Tweede Kamerleden Geert Wilders en Tony van Dijck (beiden PVV en VVV) schriftelijk van hem weten. „Nee”, antwoordde de minister – bondiger kon niet. Ergens verbaast dat antwoord niet. Het gaat bovendien over een tekortkoming die Dijsselbloem deelt met miljoenen Nederlanders, inclusief menigeen die op zaterdag of zondag in georganiseerd verband een bal in de juiste richting tracht te schoppen, dikwijls tevergeefs.

Het roept wel de vraag op naar het sportieve gehalte van het tweede kabinet-Rutte. We weten dat minister Ivo Opstelten (Veiligheid en Justitie) heeft gehockeyd, en ergens verbaast ook dat niet. Maar hoe zit dat met premier Mark Rutte? Eenvingervlugge pianospeler, dat wel, en flexibel supporter van zowel Feyenoord als ADO. Bezoekt hij Amsterdam, dan kan Ajax er vast ook bij. Zijn ambt brengt met zich mee dat hij zich in schaken moet hebben bekwaamd, maar verder?

Edith Schippers dan maar. De minister van Sport. Zij droomde er ooit van om professioneel dressuurruiter te worden, maar toen de top onhaalbaar bleek, besloot ze die te halen in een ander metier. De politiek.

Ze heeft al bewezen over de geestelijke lenigheid te beschikken die in haar ambt van pas kan komen. Als lid van Rutte I schreef ze aan de Tweede Kamer dat ze het streven om de Olympische en Paralympische Spelen van 2028 naar Nederland te halen „omarmt”. En als lid van het tweede kabinet-Rutte tekende ze voor het regeerakkoord waarin stond: leuk idee, die Spelen, maar we hebben er geen geld voor over. Reserveerde het (vorige) kabinet voor dit jaar nog één miljoen euro ter verwezenlijking van de olympische ambitie, in de deze week verschenen Rijksbegroting is dat bedrag teruggebracht naar nul.

De organisatie Olympisch Vuur kan die vlam dus wel doven, ook al heette haar eerste voorzitter, voordat hij minister werd, Ivo Opstelten en was zijn opvolger het nieuwe IOC-lid Camiel Eurlings. Het heeft niet geholpen.

Maar verder is sport, met zijn bescheiden plek op de Rijksbegroting, ontzien bij de bezuinigingen. Al moeten sportclubs de vlag niet uitsteken: zij krijgen de klappen nog, nu of straks van de gemeenten. Ook zal de liberalisering van de kansspelen geld doen wegvloeien naar het buitenland, dat daarmee wordt onttrokken aan de Nederlandse sport.

Misschien kan dat ook allemaal wel, in de participatiemaatschappijsamenleving die het kabinet voorstaat, blijkens de Troonrede die IOC-erelid Willem-Alexander dinsdag uitsprak. Dat komt toch neer op deze boodschap aan de bevolking: zoek het wat vaker zelf uit, ga eens een deur verder, wij hebben toch geen geld meer.

Tevreden constateert minister Schippers in haar begroting dan ook: „Nederland heeft een sterke sportsector die van oudsher in hoge mate zelforganiserend en zelfregulerend is.” Het resultaat: vijf miljoen Nederlanders doen in georganiseerd verband aan recreatieve sport.

Voor topsport is er daarnaast dan nog die vrijblijvende omarming door politici, naast een beetje facilitaire hulp. Het kabinet steunt de Nederlandse ambitie „om bij de tien beste topsportlanden van de wereld te willen horen”, schrijft Schippers. Die eerzucht wordt zelden in afdoende successen uitgedrukt. De laatste zeven Olympische Zomerspelen is het Nederland één keer (2000, Sydney) gelukt op de medaillespiegel de toptien te halen. Maar klop niet aan bij het kabinet. De minister voegt aan haar warme steun toe: „De primaire verantwoordelijkheid ligt bij de sportsector zelf.”

En zo is het natuurlijk. Een plek bij de toptien in de internationale sport is nou niet direct iets om het regeringsbeleid voor om te gooien. Resteert de constatering dat voor de fraaie teksten die het kabinet er nochtans aan wijdt, de kwalificatie gratuit passend is.

John Kroon is redacteur en commentator van NRC Handelsblad