Verlang het onmogelijke

Museum De Lakenhal brengt een grote tentoonstelling over utopieën in de kunst van 1900 tot 1940. Niet alleen de constructivisten, maar ook de expressionisten droomden van een betere toekomst.

De nieuwe mens lijkt sprekend op de oude. In De nieuwe Adam, een schilderij van Sándor Bortnyik dat nu op de grote tentoonstelling Utopia 1900-1940. Visies op een nieuwe wereld hangt, blijkt de nieuwe mens een dandy uit de jazz age te zijn. Alleen is hij niet van vlees en bloed, maar een pop die wordt aangedreven door een slinger.

De nieuwe mens als mechanische pop – bijna ga je denken dat Bortnyik in 1924 een parodie heeft gemaakt op de ideale mens van wie constructivistische kunstenaars en architecten toen droomden. Maar dit is beslist niet het geval: Bortnyik was geen grappenmaker maar een serieuze Hongaarse constructivist, van wie nu ook De nieuwe Eva, bestaande uit cilinders, bollen en kegels, op de expositie in Museum De Lakenhal in Leiden is te zien.

Linksboven de nieuwe Adam heeft Bortnyik het abstract-geometrische schilderij Proun 1C van de Russische constructivist El Lissitzky uit 1919 geschilderd. Ook van Lissitzky is een nieuwe mens op de expositie aanwezig. Hij lijkt nog minder een mens dan de nieuwe Adam. Lissitzky’s Neuer is opgebouwd uit driehoeken, rechthoeken en cirkels.

Zoals de meeste andere Russische constructivisten, die ruim zijn vertegenwoordigd op Utopia 1900-1940, geloofde Lissitzky dat het tijdperk van de machine was aangebroken. De tijd van l’art pour l’art was voorbij: constructivisten waren ingenieurs van de ziel. Architecten, vormgevers en kunstenaars moesten met hun werken die net zo rationeel en functioneel waren als machines, een bijdrage leveren aan de opbouw van een nieuwe, betere wereld en aan de vorming van de nieuwe mens die daarin zou leven.

Utopia 1900-1940 is een vervolg op de tentoonstelling Theo van Doesburg and the International Avant-Garde. Constructing a new world van vier jaar geleden in De Lakenhal. Hier was toen te zien hoe de oprichter van De Stijl in de jaren twintig de spil was van de internationale beweging van constructivisten. Zo was hij degene die de kunst en architectuur van De Stijl en het constructivisme naar het Bauhaus in Weimar bracht. Voor Van Doesburgs komst was het Bauhaus, dat toch geldt als de bakermat van de functionalistische vormgeving, veel meer een bolwerk van het expressionisme dan van het constructivisme.

Dit expressionisme wordt nu, naast het latere constructivisme, aan de hand van een groot aantal schilderijen, meubels, kostuums, foto’s en ontwerpen voor gebouwen getoond op Utopia 1900-1940. De machinedromen van de constructivisten hebben de eerdere expressionistische utopieën aan het zicht onttrokken, zo leggen de tentoonstellingsmakers van De Lakenhal uit in de catalogus. Maar, zo willen ze met de imposante expositie duidelijk maken, het expressionisme van kunstenaars en architecten als Jan Sluijters, Franz Marc, Bruno Taut en Hans Scharoun uit het begin van de twintigste eeuw was nauwelijks minder utopisch dan het constructivisme.

Daarom zijn expressionisme en constructivisme nu in De Lakenhal niet samengebracht als tegenpolen, maar als twee kanten van dezelfde, utopische medaille. Ook expressionisten droomden van een nieuwe mens. Maar die was wel het tegendeel van de machine-mens. Terwijl constructivisten de machine omarmden, wezen de expressionisten die als bron van de menselijke vervreemding en ontworteling af. Niet rationeel en mechanisch was de expressionistische mens, maar wild, primitief en ongeremd.

In de Lakenhal hangen nu dan ook veel schilderijen van dansende mensen, bij voorkeur naakt en in de openlucht. Zo dansen in In den Dünen van Max Pechstein uit 1911 drie naakte vrouwen woest in zanderige heuvels bij de zee.

Vlak na de verwoestende Eerste Wereldoorlog, de eerste machinale oorlog, ontwierpen expressionistische architecten als Bruno Taut een nieuwe wereld van veelkleurige glazen steden die de mens spiritueel zouden verheffen. In zijn boek Alpine Architektur uit 1919, stelde Taut voor om in plaats van de vieze industriële metropolen stralende, glazen steden te bouwen op de Alpentoppen. „De uitvoering is beslist ongelooflijk zwaar en vergt veel offers, maar is niet onmogelijk”, schreef hij bij zijn litho Schnee Gletscher Glas uit 1919, zo is te zien in De Lakenhal. „Men verlangt zo zelden het onmogelijke van de mens (Goethe).”

Bij de expressionistische architectuur hebben de tentoonstellingsmakers sterk de nadruk gelegd op de glazen dromen van de Duitsers. Nederlandse architecten komen er bekaaid af. Veel meer dan een model van het Volkstheater van H.Th. Wijdeveld uit 1920, een reuzenvagina van steen, staat er niet. „Slechts enkele van de expressionistische architectuurontwerpen zijn daadwerkelijk gebouwd”, staat in de catalogus. Maar dit geldt alleen voor de Duitse glasarchitectuur. In Nederland was het expressionisme veel minder een utopie: veel gebouwen van de bevlogen Amsterdamse-Schoolarchitecten als Michel de Klerk en Piet Kramer die de arbeiders met hun architectuur wilden verheffen, zijn wél uitgevoerd. En niet weinig hiervan, zoals het arbeiderpaleis Het Schip van De Klerk in de Amsterdamse Spaarndammerbuurt, is wilder, uitbundiger, kortom: expressionistischer dan de Einsteinturm in Potsdam van Erich Mendelsohn uit 1921 waarvan een model op de tentoonstelling staat.

Ook in het deel dat is gewijd aan de constructivistische utopieën ontbreken jammer genoeg de wildste dromen van de Russische constructivisten. Niet toevallig zijn de Russen het verst gegaan in het bedenken van utopieën. Meer dan elders konden de constructivisten in de Sovjet-Unie, het eerste communistische land ter wereld, de illusie hebben dat ze ingenieurs van de ziel waren. Maar hun mooiste en extreemste utopische ontwerpen ontbreken in Leiden. Van de architect Konstantin Melnikov staat bijvoorbeeld wel een maquette van een nooit gebouwd kantoor voor een krant, maar niet van zijn opzienbarende en wel gebouwde arbeidersclubs in Moskou, ‘sociale condensatoren’ van het nieuwe, communistische leven.

Ook afwezig is het beruchte ontwerp van Nikolaj Koezmin voor een groot functionalistisch communegebouw dat laat zien hoe dun de lijn tussen hemel en hel is. Bij zijn ontwerp uit 1930 leverde Koezmin een heel precieze dienstregeling voor het leven van de communards. Mannen en vrouwen werden van elkaar gescheiden. De nieuwe mens zou, altijd in groepsverband, zijn leven besteden aan sport, cultuur, studie, eten, wassen en vooral werk aan de lopende band. Zelfs slapen deed men, in groepen van zes, collectief. Om 22 uur zou het licht in de slaapzalen uitgaan, acht uur later werd iedereen gewekt waarna een tot op de minuut nauwkeurig bepaalde dag volgde. Koezmins utopie is eerder een werkkamp dan het paradijs.

Toch is er in De Lakenhal wel iets van de dystopie te zien waarin de communistische utopie in de Sovjet-Unie eindigde: Twee mensen in een landschap, een schilderij van Kazimir Malevitsj dat ook het omslag van de catalogus siert. Malevitsj schilderde het in 1932, vier jaar na het begin van de collectivisatie van de landbouw die honderdduizenden boeren het leven kostte. Niet alleen zijn Malevitsj’ boerinnen, net als Bortnyiks nieuwe Adam, een soort poppen, maar bovendien hebben ze geen gezicht. In de Sovjet-Unie van 1932 was de nieuwe mens een onpersoonlijke massamens geworden.

Utopia 1900-1940. Visies op een Nieuwe Wereld. T/m 5 jan. in Museum De Lakenhal, Leiden. Inl: lakenhal.nl