Test op darmkanker bestrijdt kanker maar verlengt leven niet

In 2014 begint in Nederland de screening op darmkanker. Amerikaans onderzoek toont aan dat gescreende mensen niet langer leven, maar minder vaak aan darmkanker sterven.

Screening op darmkanker zorgt ervoor dat het aantal doden door die ziekte met een derde kan afnemen. Maar het betekent niet dat de gescreende mensen langer leven. De dood door alle doodsoorzaken komt nog steeds even snel voor mensen die zich wel of niet op darmkanker laten screenen.

Dat blijkt uit het eerste en langstlopende onderzoek naar het nut van screening op dikke darmkanker. Screenen betekent dat mensen die nergens last van hebben zich laten onderzoeken op een ziekte, of op een voorstadium ervan, in de hoop dat tijdige behandeling erger voorkomt. De resultaten na 30 jaar van de Minnesota Colon Cancer Control Study zijn vandaag online gezet door The New England Journal of Medicine.

Het onderzoek begon in 1975. Er deden 46.551 mensen aan mee die toen 50 tot 80 jaar oud waren. Zij werden door het lot verdeeld in drie groepen: ieder jaar of om de twee jaar screenen, of niet screenen. Het programma liep tot 1992. In 1993 verscheen het eerste resultaat, waarin al een afname van de sterfte aan darmkanker was te zien. In de jaren direct erna herschreven maag-darmartsen in veel landen hun richtlijnen. Er kwam in te staan dat het goed was om eens in de een of twee jaar een darmscreening te doen.

In Nederland zijn screeningsprogramma’s bij wet geregeld. Het heeft lang geduurd voordat het Nederlandse officiële bevolkingsonderzoek van de grond kwam. In 2001 vond de Gezondheidsraad dat darmkankerscreening „serieuze overweging verdiende”. Er was activistische aandrang van de Maag Lever Darm Stichting en het collectebusfonds KWF Kankerbestrijding voor nodig, maar in 2014 begint geleidelijk de nationale screening voor 55- tot 70-jarigen. In 2018 is iedereen van die leeftijd een keer aan de beurt geweest.

Er zijn verschillende methoden voor darmkankerscreening. De Nederlandse aanpak lijkt sterk op die in de Minnesotastudie. Eerst leveren mensen een poepmonster in en als daar bloedsporen in worden aangetroffen volgt een uitnodiging voor een coloscopie. Daarbij speurt een maag-darmarts via een kijkbuis in de dikke darm naar kanker of darmpoliepen. Darmkanker ontstaat vrijwel altijd uit die poliepen. Gevonden poliepen haalt de arts meteen weg.

In de oude Minnesotastudie daalde de darmkankersterfte na jaarlijkse screening met 32 procent. Na tweejaarlijkse screening, zoals die in Nederland begint, was de daling minder groot: 22 procent minder darmkankersterfte. In de Minnesotastudie kreeg 10 procent van de poepinzenders een oproep voor coloscopie. De poeptest is in Nederland moderner en hopelijk nauwkeuriger: hier wordt op 5,5 procent gerekend. Dat kan lukken omdat nu een modernere test op bloed in de ontlasting wordt gebruikt.