Tekenend op zoek naar essentie van een vluchtige waterval

Lin de Mol, Moss Table (2010) Foto Lin de Mol

Wie droomt er niet van? Net dat ene ogenblik vangen uit de vele miljoenen ogenblikken die de dagen vullen, net dat ene ogenblik waarvan je voelt: dit is essentieel, nu kan ik iets laten zien van – vooruit – noem het Waarheid. De snapshot die in de loop van de twintigste eeuw tot kunstfotografie evolueerde, kwam voort uit die romantische droom.

Op de groepstentoonstelling To Catch a Falling Feather proberen curatoren en kunstenaars Lara de Moor (1969) en Lynne Leegte (1965) „de zwak oplichtende deeltjes waarheid te vangen die zich soms in het dagelijks leven voordoen”. Die deeltjes zijn als veertjes die naar beneden dwarrelen. Ze zijn van nature voorbijgaand en moeilijk te grijpen. Vandaar de kunst om die veertjes te pakken, ze in hun fragiele waarde te laten en tegelijkertijd om te zetten in een nieuw beeld.

Handwerk, en alles wat met huid en oppervlakte te maken heeft, zo blijkt op de expositie in het Amsterdamse Arti, is een uitstekende metafoor om die dualiteit te duiden. De virtuoze, nog veel te weinig gewaardeerde tekenaar Erik Odijk (1959) toont hoe efemeer het water wordt dat van een rotspartij naar beneden stort. Op de kolossale tekening Ratera (2013) neemt het materiaal (vettig pastel, vluchtig houtskool) langzaam de essentie aan van het afgebeelde. Klamme rotsen glimmen van het vet, waterdamp verstoft. Odijk diept een abstracte, grofkorrelige schoonheid in de natuur op die verder gaat dan welke sublieme, romantische natuurbeleving ook.

Ook beeldhouwer Lynne Leegte gebruikt het materiaal – albast, glas, was, of gewoon stukken textiel – om een extra, sprookjesachtige lading te geven aan in wezen doodgewone zaken als een dode duif, een spiegel, een pruik, handen. Leegte deelt de grote zaal van Arti met Odijk en Lara de Moor (1968). Dat levert een prachtige combinatie op van schilderijen, tekeningen, foto’s en sculpturen. Nooit de raadselachtige schoonheid van een vuile wasbak of een halfzachte ballon zo mooi verbeeld gezien als in de doeken van De Moor.

De enige vreemde eend op deze verder zo uitgewogen tentoonstelling is Eelco Brand (1969). Brands artificiële, op de computer gemaakte landschappen en interieurs gaan over iets heel anders, namelijk de seriematige reproductie van sublieme momenten. De clichématige schoonheid die Brand schept is welbewust even leeg als de pixels waaruit de voorstellingen zijn opgebouwd. Brand vangt geen veren, hij vermorzelt ze. Doeltreffend, en goed voor een andere tentoonstelling.