Participatie

Omdat ik getrouwd ben met iemand die lid is van de PvdA, zou je verwachten dat de naam van die partij tussen ons regelmatig valt. Toch is dat de laatste maanden amper het geval. Merkwaardig, in deze cruciale politieke tijden. Ik begon me zelfs een beetje ongerust te maken.

„Jullie zijn toch nog niet opgeheven?”, vroeg ik mijn vrouw. „Doe niet zo flauw”, zei ze en begon snel over een ander onderwerp te praten: ze vroeg of het klopte dat de koning de Troonrede zo mooi had voorgelezen; ze had het zelf niet kunnen horen. „Hij deed het aardig”, zei ik, „maar al die lof vind ik toch een beetje verdacht. De mensen lijken wel opgelucht. Hadden ze soms een hakkelende halve analfabeet verwacht? En ze doen nu ook net of zijn moeder maar een raar taaltje sprak, maar Alex mag hopen dat hij nog eens zo’n goede woordkeus krijgt als zij.”

We zwegen even, waarna ik weer kans zag de PvdA in opspraak te brengen. „Er is in jullie partijtop te weinig discussie, terwijl er toch heel wat aan de hand is.” Ik herinnerde eraan dat Alex deze week namens Mark Rutte, Diederik Samsom en Jeroen Dijsselbloem mocht zeggen dat de klassieke verzorgingsstaat was opgeheven ten bate van de participatiesamenleving.

„Ik wil er nu liever niet over praten”, zuchtte ze.

Maar ik wél. Ik heb nu eenmaal een grote fascinatie voor woorden die zelfs niet in mijn nieuwste druk van de Van Dale staan. Participatiesamenleving is zo’n woord. Deelnemingssamenleving dus. Wat zou dat precies zijn? Al die mensen die in die goeie ouwe verzorgingsstaat verzorgd werden, namen die soms géén deel aan de samenleving? Waren dat allemaal zwervers en gekken aan de zelfkant zonder enig verantwoordelijkheidsgevoel?

We keken samen op internet naar de herkomst van het woord participatiesamenleving. Wim Kok bleek het woord als premier al in 1991 tegen zijn congres te hebben gebruikt, maar hij waarschuwde nog wel voor uitwassen, de mensen mochten niet aan hun lot worden overgelaten, er mocht geen onderklasse ontstaan.

„Dat vindt de PvdA nog altijd”, zei mijn vrouw. „Ik hoor jullie er weinig over”, stookte ik, „is het wel verstandig het begrip verzorgingsstaat te laten vallen? Kregen jullie ook niet spijt toen Wim Kok en Bram Peper de ‘ideologische veren’ begonnen af te schudden? Dat wordt weer makkelijk scoren voor de SP en Marcel van Dam.”

„Ik weet het”, zei ze, „maar wat wil je dan? Dat de VVD weer met de PVV gaat regeren?” „Ze zijn ertoe in staat”, gaf ik toe. Ik zag het al voor me, Rutte met de armen broederlijk om de schouders van Wilders, kraaiend: „We gaan het weer proberen, geparticipeerd samenleven lukt toch beter met de PVV dan met de PvdA!”

Maar ik moest bekennen dat ook ik niet precies wist wat ik wél wilde. Misschien moest ik wat gemakkelijker accepteren dat linkse politici even opportunistisch hun beloftes braken als rechtse politici. Nederland mocht niet kapot bezuinigd worden, vonden Diederik en Jeroen vóór de verkiezingen, nu deden ze niets anders. Illegaliteit moest strafbaar worden, de JSF mocht toch wel worden aangeschaft en de verzorgingsstaat afgeschaft. „Waar houdt het op?”, vroeg ik retorisch. „We zullen zien”, zei mijn vrouw.

Hoorde ik enige moedeloosheid, of vergiste ik me deerlijk en zat ik te praten met iemand die, ondanks alles, bereid was desnoods als enig overgebleven lid van de PvdA in mijn armen te sterven?