Nederland bewijst Afghanistan grote dienst met dodenlijst

De openbaarmaking gisteren door het Openbaar Ministerie van de namen van 4.700 gedode Afghanen helpt het al decennia door oorlog geteisterde land enigszins in het reine te komen met zijn bloedige recente verleden. Het biedt duizenden nabestaanden eindelijk zekerheid omtrent het lot van familieleden, die in de begindagen van het communistische regime in Afghanistan eind jaren 70 na hun arrestatie spoorloos verdwenen.

OM en politie verdienen dan ook lof voor de wijze waarop ze hebben geopereerd in deze zaak, die aan het rollen kwam tijdens verhoren van de naar Nederland gevluchte Amanullah Osman, destijds hoofd van de afdeling verhoor van de Afghaanse Veiligheidsdienst. Het was een moedig besluit de lijsten, die eind jaren 80 al even in beperkte diplomatieke kring circuleerden, openbaar te maken. In veel andere landen zou daarmee terughoudender zijn omgegaan.

Het OM en de Nederlandse regering betogen dat Nederland geen andere keus had omdat het partij is bij het internationale verdrag tegen gedwongen verdwijningen uit 2006. Dat schrijft voor dat informatie over verdwenen personen wordt gedeeld met de achterblijvende familie.

Nederland is ook een van de weinige landen die gevluchte voormalige medewerkers van de Afghaanse staatsveiligheidsdienst hebben berecht. In Afghanistan zelf, waar straffeloosheid nog altijd de norm is, is het daar nooit van gekomen.

In Nederland werden deze vluchtelingen soms herkend door hun slachtoffers, eveneens gevluchte Afghanen die door de veiligheidsdienst waren gemarteld. Tot hun verbijstering stonden ze hier plotseling oog in oog met hun vroegere beulen. Twee van hen kregen hoge gevangenisstraffen, één werd vrijgesproken. Er volgen naar verwachting nog meer van zulke processen. Osman zelf kreeg geen vluchtelingenstatus maar werd ook niet uitgewezen. Hij stierf vorig jaar een natuurlijke dood, in vrijheid.

Met zulke processen en de publicatie van de Afghaanse dodenlijsten versterkt Nederland zijn aanspraken op de nagestreefde positie als centrum van internationaal recht in de wereld.

Men zou ook kunnen betogen dat Nederland hiermee Afghanistan een even grote, misschien zelfs grotere dienst bewijst als met de deze zomer afgesloten politietrainingsmissie in Kunduz. Doordat op last van de Tweede Kamer alleen één type agenten uit één provincie, Kunduz, mocht worden geschoold en zij niet mochten vechten, wat voor de Afghaanse politie ongebruikelijk is, was het rendement hiervan niet hoog. Daarom werd, niet zonder reden, nogal lacherig gedaan over deze missie, die honderden miljoenen kostte.