Jij wilt wél spruitjes

Participatiesamenleving, dat klinkt dynamisch en gezellig. Niemand is ertegen. Ook de burger niet die wordt verteld dat hij dit zelf wil, stelt Floor Rusman

illustratie Ruben L. Oppenheimer

De boodschap van de Troonrede valt kort samen te vatten: het gaat slecht, en het wordt niet snel beter. Het kabinet heeft voor de problemen geen toverstokje, vertelde de premier.

Maar het heeft wel een toverwoord: participatiesamenleving. De kranten stonden er gisteren vol mee: het kabinet neemt afstand van de verzorgingsstaat!

Het woord heeft zijn uitstraling mee: het klinkt gezellig en dynamisch. Er is een verschuiving van verzorging (passief) naar participatie (actief), en van staat (centralistisch, bureaucratisch) naar samenleving (decentraal, dicht bij de mensen). Je ziet meteen startende bedrijfjes voor je, ouders die helpen op het schoolreisje, mensen die boodschappen doen voor hun zieke buren. Iedereen doet mee!

Geen redelijk mens en geen serieuze politieke partij zal zich vurig verzetten tegen een participatiesamenleving. De term heeft immers voor ieder wat wils: hij bevindt zich midden tussen links en rechts, tussen staat en markt. Het zwaartepunt ligt bij burgers en hun verbanden, bij ‘samen’. Zelfredzaamheid én gemeenschapszin: het beste van twee werelden.

Het is dan ook geen toeval dat juist Wim Kok, de PvdA-leider die de ideologische veren afschudde, de term al in 1991 gebruikte. Op een partijcongres pleitte hij voor een participatiesamenleving, de „derde weg” tussen een nachtwakersstaat en een „bureaucratische verzorgingsstaat”.

Maar in de voorspoedige jaren negentig hoefde er van de hervorming van de sociale zekerheid nog niet veel werk te worden gemaakt. Van de participatiesamenleving hoorden we weer een tijdje niets.

De volgende die de term gebruikte was Jan Peter Balkenende. In zijn lezing getiteld Op eigen kracht; van verzorgingsstaat naar participatiemaatschappij (2005) beschreef Balkenende de oude verzorgingsstaat als een log apparaat dat niet meer voldeed „in deze tijd van geëmancipeerde burgers en een toenemend mondiaal bewustzijn”. In de netwerksamenleving was behoefte aan meer eigen verantwoordelijkheid.

Ook dit keer bleek de participatiesamenleving geen toverwoord. De nood was niet hoog genoeg.

Stinkende staatsruif

Nu pas is de tijd rijp. Door de kredietcrisis hebben de markt en eigenschappen die ermee in verband worden gebracht (egoïsme, individualisme) een slecht imago. En door het begrotingstekort durft ook niemand meer te pleiten voor een grote staat. Ineens heeft bijna elke partij de mond vol van ‘de kracht van burgers en hun verbanden’.

Dat was mooi te zien in een in mei uitgebrachte bundel over de toekomst van de sociale zekerheid. De wetenschappelijke bureaus van alle politieke partijen gaven hierin hun visie. De bijdragen waren nauwelijks van elkaar te onderscheiden. Sleutelwoorden: eigen kracht, zelfredzaamheid, zelf oplossingen zoeken. De burger zou eindelijk verlost worden van de stinkende staatsruif waar hij tegen zijn zin in hing.

De crisis heeft voor consensus gezorgd, die ideologisch het dichtst bij het CDA in de buurt komt. Links en rechts zijn niet meer, het midden heerst. Dat blijkt ook nu weer. Hoewel CDA-leider Sybrand van Haersma Buma doet alsof hij de kabinetsplannen belachelijk vindt, hangt hij in grote lijnen hetzelfde ideaal aan. In de Volkskrant van afgelopen weekend noemde hij zijn eigen ideeën voor de Nederlandse samenleving: „Het is een kwestie van de overheid intomen, de economie laten aantrekken en zo de samenleving versterken.”

Doe maar alsof het leuk is

De grote politieke partijen zijn het dus eens. Nu moet de burger er nog in geloven. Daarvoor heeft de regering twee listen verzonnen. Ten eerste: breng het pleidooi voor een kleinere overheid als bittere noodzaak. Zeg dat de crisis het eist, dat Europa het eist, dat de nieuwe tijd het eist. Niet voor niets viel de term ‘de eisen van deze tijd’ twee keer in de Troonrede. De subtekst: wij kunnen er ook niets aan doen, jongens.

En ten tweede: als je het de burger niet naar de zin kunt maken, doe dan alsof je het hem naar de zin maakt. Doe alsof hij behoefte heeft aan meer vrijheid en onderlinge zorgzaamheid. Zoals het in de Troonrede is verwoord: „De klassieke verzorgingsstaat uit de tweede helft van de twintigste eeuw heeft regelingen voortgebracht die in hun huidige vorm onhoudbaar zijn en ook niet meer aansluiten bij de verwachtingen van mensen. Mensen willen hun eigen keuzes maken, hun eigen leven inrichten en voor elkaar zorgen.”

Aha, dus mensen hebben tot nu toe met tegenzin werkloosheidsuitkeringen ontvangen en hun ouders naar een verzorgingstehuis gebracht. Nu mogen ze eindelijk doen wat ze al die tijd al wilden: hard werken, de luiers van hun ouders verwisselen en zelf trapliften in elkaar knutselen.

Het is alsof je tegen een kind zegt: „Jij wílt helemaal geen zak snoep. Je verlangt naar gezondheid en verantwoordelijkheid. Wat jij eigenlijk wilt, is een bord spruitjes.”

Zelfs het domste kind trapt hier niet in. En ook de Nederlandse burgers weten heel goed wat ze wel en niet willen. De meesten willen gewoon werken, maar in de huidige crisis is dat niet iedereen gegeven. Om nu tegen werklozen te zeggen dat ze eindelijk mogen participeren, zonder die belofte te kunnen waarmaken, lijkt eerder een lullig grapje dan een opbeurende boodschap.

Hervormingen mogen nog zo nodig zijn, de participatiesamenleving is niet meer dan een mooie term voor pijnlijke maatregelen.