Column

Het participatie-instinct

De school waar mijn zoon sinds kort heengaat, hanteert een systeem waarbij de ouders assisteren bij het overblijven. Vrijwilligerswerk dat niettemin als een verplichting voelt. Naar wat ik begrijp, functioneert dat systeem heel behoorlijk.

Het is een participatiesamenleving in het klein, en het succes ervan is gemakkelijk te verklaren. De ouder wil bij die groep horen, want een kind dat in een beschermde groep opgroeit, heeft betere overlevingskansen. Van twee kanten is er de drang tot participeren: voor je kind en voor jezelf, vanuit de groepsdruk. Je wilt daar niet op het schoolplein staan en dat ze dan fluisteren: „Daar staat die arrogante lul die niet wil helpen bij het overblijven.”

Je zou zeggen dat dit ook in het groot zo werkt, en dat de Troonrede, die de verzorgingsstaat inruilde voor de participatiesamenleving, het ei van Columbus heeft ontdekt.

Dat valt nog te bezien. Samenleven in groepen heeft inderdaad evolutionair voordeel, dat je haast fysiek voelt als je praatjes maakt met andere ouders op het schoolplein.

Maar de evolutiebiologie leert ook dat zodra die groepen te groot worden, ze juist een remmende werking hebben op de individuele prestaties van de groepsleden.

Met z’n tienen samenleven is veilig, maar het is geen pretje om elk gevangen hert te moeten opdelen met driehonderdtwintig gelijke porties. Vroeg of laat krijg je het idee dat je veel beter met een klein clubje sterken en slimmen op jacht kunt gaan. Kun je ook meteen de mooiste vrouwtjes bezwangeren. Kortom, voorbij een bepaalde grootte valt de beschermende groep onvermijdelijk uiteen in rivaliserende clubjes. Soennieten en sji’ieten, Hutu’s en Tutsi’s, Feyenoord- en Ajaxaanhangers…

Als een vreemde school aan de overkant mij zou vragen te helpen bij het overblijven, zou ik ze uitlachen. Wat zou ik me inspannen voor die sullige rivalen, die ook nog eens slechter scoren in de Cito?

In het leger werkt het ook zo: militairen doen alles voor hun eigen bataljon, voor ‘hun’ jongens. Het grotere doel van de ‘missie’ is daar totaal bij ondergeschikt.

De participatiesamenleving werkt alleen op kleine schaal. Dat kun je ontkennen, en je kunt klagen dat mensen meer moeten meedoen, zich onderling verbonden moeten voelen, enzovoorts, maar de kans dat onze instincten zich daar iets van aantrekken is even groot als de kans dat de zon na een moreel appèl voortaan maar in het oosten ondergaat.

Veel verstandiger is het om lidmaatschap van kleine, lokale groepen te stimuleren. Sportverenigingen, leesclubs, kookscholen, amateurtoneel, in bibliotheken en kleine theaters. Kortom: precies de culturele instellingen die gemeenten nu wegbezuinigen.