Het gebeurde in de tijd van de Slager van Kabul

Weinig periodes in de toch al onrustige geschiedenis van Afghanistan zijn zo turbulent geweest als het einde van de jaren 70, toen de mensen op de nu opgedoken dodenlijsten verdwenen.

In april 1978 pleegde een groepje jonge communisten een staatsgreep, die ook voor Moskou als een volslagen verrassing kwam. Het duurde niet lang of de meedogenloze Hafizullah Amin werd leider. Hij behoorde tot de vleugel van de Khalqi’s (de massa’s).

De Khalqi’s lanceerden een revolutionair hervormingsprogramma naar Sovjet-snit. Zo wilden ze snel het boerenland herverdelen en gemengd onderwijs voor jongens en meisjes invoeren. De macht van de oude elite en de islamitische geestelijken moest worden gebroken. Wie weerstand bood of daarvan werd verdacht, werd opgepakt.

Dat overkwam bijvoorbeeld de echtgenoot van Sima Samar, de vrouw die later zelf zou uitgroeien tot een groot voorvechter van de mensenrechten in Afghanistan. Op een avond in 1979 werd haar man, docent aan de universiteit van Kabul en politiek niet actief, thuis gearresteerd door een groep mannen, aangevoerd door een van zijn studenten. „Ik heb nooit meer iets van hem gehoord”, vertelde Samar drie jaar geleden.

Veel van de gearresteerden belandden in Pul-i-Charki, een beruchte gevangenis aan de rand van Kabul en een symbool van onderdrukking. Daar onderwierpen agenten van de staatsveiligheidsdienst hen aan gruwelijke martelingen. Duizenden overleefden dat niet.

De hervormingswoede stuitte op steeds meer verzet in het nauwelijks ontwikkelde land, dat toen nog veel behoudender was dan nu. Het kwam tot opstanden, zowel op het platteland als in steden. In de westelijke stad Herat werden in korte tijd 20.000 mensen gedood. De aanhang van jonge, fundamentalistisch ingestelde verzetsgroepen groeide snel.

Zelfs de Russen maakten zich zorgen. In de herfst van 1979 besloten Leonid Brezjnev en de zijnen dat ze Amin moesten vervangen door een gematigder communist. Toen hij ook toenadering zocht tot de VS was voor het Kremlin de maat vol en in december 1979 viel het Rode Leger Afghanistan binnen. Amin werd gedood en de Russen gaven de macht in handen van de meer gematigde Babrak Karmal.

Weliswaar schroefden de Russen het tempo van de hervormingen terug, omdat ze inzagen dat de Afghanen hier nog lang niet aan toe waren, maar de repressie werd er niet minder om. Onder toezicht van de KGB bleef de staatsveiligheidsdienst, herdoopt in KHAD, duizenden mensen opsluiten in Pul-i-Charki. Vanaf 1980 geschiedde dat onder leiding van Mohammed Najibullah, bijgenaamd de Slager van Kabul. In 1986 werd hij president, maar na de intocht van de Talibaan in Kabul tien jaar later werd hij opgehangen aan een paal.