Groen pelgrimspad

Tosca Niterink en Anita Janssen lopen de Caminho da Fé, een pelgrimsroute in Brazilië, en doen wekelijks verslag in woord en beeld.

Dag lieve mensen thuis! Ik moest even indalen, maar nu weet ik het zeker, ik vind Brazilië helemaal geweldig! Zo kleurrijk, zo prachtig vol lieve mensen, je zou bijna vergeten dat we al een vechtpartij achter de rug hebben. Maar daarover straks, eerst de leuke dingen!

Het is hier eigenlijk winter, maar dat zou je niet zeggen, want het is tot vandaag heel warm geweest, gemiddeld 32 graden. Dat is best warm als je aan het pelgrimeren bent in bergachtig gebied met bepakking, tent, kleding, laptop, camera’s – we zijn intussen ook nog een docu aan het draaien, die erg erg leuk wordt – snoeren, proviand en water voor de hele dag. Want we lopen enkel door Gods open natuur zonder dorpjes. We hebben al drie dagen achter elkaar ruim dertig kilometer moeten bikkelen om van het ene gat in het andere te komen.

’s Avonds kunnen wij dan ook geen pap meer zeggen als wij na het eten in bed rollen. Het eten is hier fantastisch. Dat komt omdat er in dit gebied veel Italiaanse immigranten wonen, met derlui mama’s en inherente kookkunst. In het stadje waar we nu zitten, is 75 procent van de populatie Italiaans! Dat neemt niet weg dat ze allemaal hun moerstaal zijn vergeten en gewoon Portugees praten, wat wij slecht verstaan. De conversatie blijft dus hangen in vriendelijk lachen en wuiven en obrigada zeggen en abricosie, want het is hier heel gezellig. En mooi! De natuur is adembenemend groen op dit godvruchtig pelgrimspad dat ons voert van de ene zalig verklaarde heilige naar de andere gestigmatiseerde non. Want ze kunnen er wat van, hier in de kerken. We hebben nog helemaal geen andere toeristen gezien, wel allerlei inheemse vreemde vogels. Ik zeg vanmorgen tegen Annie: „Kijk, daar gaat een valk, en daar nog een en daar nog een!”

„Dat zijn geen valken”, antwoordde Annie, „dat zijn toekans.”

„Neen”, riep ik uit, „het zijn toch diezelfde beesten als bij ons langs de snelweg, bovenop die gelijknamige restaurants?”

„Neen”, zei Annie, „dat is een fout van Toos, van Gerrit van der Valk, die beter Van der Toekan had kunnen heten. Toos zei: ‘Deze toekan lijkt me wel een leuke valk voor ons embleem.’”

Enfin, dat soort dingen.

Je wordt er gewoon filosofisch van! Verder heb ik nooit geweten dat Brazilië zo’n hoog Lucky Luke-gehalte heeft. Het is hier helemaal te country en western, we hebben bijbehorende hoeden en kleding gekocht, om ons onopgemerkt tussen de inheemsen te kunnen verplaatsen.

Je gelooft het of niet, maar we worden onderweg steeds achtervolgd door zwermen gieren. Vooral als we langs de kant van de weg gaan zitten of in het stof gaan liggen bijten, komen ze met zijn allen boven ons hoofd cirkelen, in de hoop dat een van ons beiden niet meer opstaat.

We zijn al heel wat door deze roofvogels uitgebeende koeien, honden en andere knuffeldieren tegengekomen!

O ja, nog even over die vechtpartij.

Je moet nooit ’s nachts een Braziliaanse hotelkamer binnenlopen waar voetbal wordt gekeken en de stekker uit de tv trekken.

Voor de rest gaat het goed hoor!

En nog eens o, ja: het is met bakken uit de hemel beginnen te regenen. Morgen moeten we recht omhoog door de modder klimmen naar São Roque da Fartura. We zitten nu in Vargem Grande do Sul waar we via Santa Rita do Passa Quatro, Tambaú en Casa Branca (allemaal koffie-, mais-, sinaasappel- en/of goudmijnstadjes ) naartoe zijn komen wandelen.

En nog iets tot slot: Annie had een teek onder d’r hoed in d’r hoofd. Is er iemand die weet of dat erg is? Ik heb hem er wel uitgetrokken met een pincet.