‘Dit moet écht de laatste bezuiniging zijn’

De minister vindt dat Defensie zaken jaren slecht op orde had. Over het kopen van de JSF zegt ze: we moeten het nooit meer zo doen.

Foto ANP

Een profetisch document moest het worden. Ontwikkel „een visie op de krijgsmacht van de toekomst”, was de opdracht die Jeanine Hennis-Plasschaert (VVD) als minister van Defensie eind vorig jaar meekreeg uit het regeerakkoord. Tijdens de formatie durfden VVD en PvdA niet te beslissen over de aanschaf van de JSF-straaljager, omdat volstrekt onduidelijk was of dat vliegtuig kon worden gekocht zonder dat de rest van defensie er aan onderdoor zou gaan. De uiteindelijke keuze moest worden aangekleed met een militaire visie.

Dinsdag werd bekend dat het kabinet de Joint Strike Fighter na jarenlang getouwtrek toch aanschaft, 37 stuks. Maar een visionair vergezicht schreef Hennis niet. In plaats daarvan publiceerde ze een nota die benadrukt dat de krijgsmacht van levensbelang is, maar dat het budget en de ambitie toch weer naar beneden worden bijgesteld. Minder geld, minder mensen, minder missies die minder lang duren.

„Een visie impliceert dat je voluit vertelt over wat je in een ideale situatie zou willen met de krijgsmacht. En dan krijg je de neiging om luchtkastelen te bouwen, mensen een rad voor ogen te draaien, beloftes te maken die je niet na kunt komen”, zegt Hennis. „Terwijl we moeten constateren dat de financiële middelen daarvoor er niet zijn. Ik toon graag enige realiteitszin.”

De realiteit is dat Defensie, nog middenin een bezuiniging van 1 miljard die werd opgelegd door het kabinet-Rutte I, opnieuw met 350 miljoen euro moet krimpen. Niet omdat deze regering weer het mes in de krijgsmacht zet, benadrukt Hennis, maar omdat er overal binnen de overheid bezuinigd moet worden. „En vanwege onze interne financiële problematiek.” Dat wil zeggen: Defensie had zelf de boeken niet op orde.

Haar aangekondigde maatregelen grijpen opnieuw diep in de organisatie. „Het gaat door merg en been als ik het persoonlijk leed zie dat deze beslissing teweegbrengt.” Het vertrouwen van haar eigen personeel in de leiding en de toekomst van defensie is klein, beseft de minister. „Het zou gek zijn als het vertrouwen níét was uitgehold na 22 jaar van reorganisaties.”

Al decennia wordt er bezuinigd en al jaren zeggen opeenvolgende ministers van Defensie dat dat eigenlijk een heel slecht idee is. Net als haar voorgangers zegt Hennis dat het nu écht de laatste keer moet zijn. „De bodem van wat de organisatie aankan is bereikt. Het ijs wordt te dun.” Al gebiedt de voorgenomen realiteitszin ook te zeggen dat „er geen garanties zijn”.

Defensie weet nu in ieder geval wel waar het aan toe is met de JSF. Hennis doet de definitieve keuze voor het Amerikaanse toestel als vervanger van de F-16 af als een vrij eenvoudige. Ze begrijpt zelf ook niet helemaal waarom het zo lang moest duren. „We wisten in 2002 al dat dit het beste toestel voor de luchtmacht was, maar toen bestond het nog alleen op papier. Inmiddels vliegt het ding en uit alles blijkt dat het inderdaad de meeste mogelijkheden biedt, het veiligst is voor onze vliegers en we er het langst mee voortkunnen.”

Toch spreekt Hennis de wens uit dat Nederland „nooit meer op deze manier een wapensysteem koopt”. „Je wilt natuurlijk geen projecten hebben die gierend uit de klauwen lopen.” Defensie stapte in 2002 in de ontwikkeling van de JSF en stelde sindsdien de beslissing tot aankoop steeds uit. „Een risicovolle onderneming die niet goed is voor defensie”, zegt Hennis. Ze merkte sinds haar aantreden dat Nederland „16 miljoen vliegtuigexperts” telt; iedereen heeft er een mening over.

De onduidelijkheid over en de kritiek op de JSF is deels de schuld geweest van Defensie zelf, zegt Hennis. „Ik heb met verbazing gezien wat er in het verleden is geroepen over aantallen.”

Eerdere ministers spiegelden voor dat voor 4,5 miljard euro wel 85 JSF’s gekocht konden worden, meer dan het dubbele van wat nu realistisch blijkt. „Maar het financiële plaatje daarbij klopte helemaal niet. Het is schadelijk als je aantallen gaat roepen en vervolgens niet kunt leveren”, zegt Hennis. Dat gold ook voor de begrotingen van andere wapensystemen. „Er was onvoldoende duidelijk wat exploitatiekosten waren. Dat heeft geleid tot tekorten die ik nu moet oplossen.”

Zulke risico’s denkt ze met de nieuwe schatting van 37 straaljagers niet te lopen. „Er is niet eerder zo maximaal onderbouwd en zo voorzichtig begroot. Ik laat mezelf echt niet in die valkuil lopen door getallen te roepen en vervolgens tot de conclusie te komen dat we slechts een fractie daarvan kunnen realiseren.” Misschien worden het er zelfs meer, hoopt ze, „als dat binnen deze financiële kaders lukt”.

Met 37 jachtvliegtuigen heeft Nederland namelijk een beduidend kleinere luchtmacht dan nu met 68 F-16’s. Naast de nationale en internationale verplichtingen kan Nederland dan nog maar vier vliegtuigen inzetten in missies. Tegelijkertijd meedoen in bijvoorbeeld Afghanistan en Libië is dan niet meer mogelijk. Ook bij de landmacht en de marine werd internationale inzet „piepend en krakend ingevuld”.

„Ook met de krijgsmacht die we nu krijgen, kunnen we een goede bondgenoot zijn. Maar als je vraagt: is dit genoeg of ambieer je meer, dan is het antwoord, natuurlijk ambieer ik meer.”