De kiwi

Bibi Dumon Tak (tekst) en Fleur van der Weel storten zich op nachtdieren, na de gewone dieren in Bibi’s doodgewone dierenboek.

In de weggestopte wouden van Nieuw-Zeeland woont een stripfiguur. Een stripfiguur? Nou ja, zoiets, want het kan gewoon niet waar zijn dat hij echt bestaat: de kiwi.

Precies tweehonderd jaar geleden werd hij gevonden. Niet de hele vogel, maar een stuk huid met twee vleugeltjes eraan. Per schip werd het naar Engeland gebracht. De veren leken op haren, en de vleugeltjes waren zo klein dat zelfs een kolibri er niet mee zou kunnen vliegen. Wat was dit voor een dier? Maakte iemand in 1813 een grap?

Niemand maakte een grap. Zoiets doe je niet bij een vogel die nagenoeg blind is en niet kan opstijgen bovendien. Hoe kon deze mislukkeling overleven in de nachtelijke natuur? De Engelsen wilden dat ook wel eens weten en gingen op onderzoek uit. Dit is wat ze uiteindelijk ontdekten: in de lange snavel van de kiwi zitten de neusgaten niet bovenaan, zoals bij andere vogels, maar helemaal aan het eind. Ze liggen als het ware half op de grond. De kiwi gaat snuffelend door het leven.

Snufsnuf, klinkt het dus midden in de nacht, als je door een doodstil kiwiwoud sluipt. Snufsnuf. Het is geen hondje dat je hoort maar een harig loopvogeltje dat naar wormen zoekt. Wormen die hij niet kan zien, maar die hij diep verborgen onder de aarde ruikt.

Inmiddels geloven we wel dat de kiwi niet verzonnen is. Maar één ding weten we nog altijd niet:

Snuft de kiwi omdat hij als een hondje hardop ruikt? Of snuft de kiwi omdat hij telkens de aarde uit zijn neusgaten blaast?