‘Blast’ van Manu Larcenet toont de gruwelijke kant van extase en vrijheid

De Franse striptekenaar Manu Larcenet heeft met Polza Mancini een bewonderenswaardig radicaal personage geschapen. Hij treedt op in Blast, een geniale, sinistere stripserie, waarvan nu een Nederlands deel uitkomt.

Het is een vorm van extase, van grondeloze euforie. Polza Mancini noemt het de blast. Hij vergelijkt het gevoel met de schokgolf van een explosie, een moment waarop het lijkt dat alles in je wordt verwoest. De eerste keer blast kwam na de dood van zijn vader, in een doorwaakte nacht vol drank, pillen en snoep.

Blast is de titel van de stripserie waarvan de Franse tekenaar Manu Larcenet inmiddels drie van de vier delen afheeft. Vandaag verschijnt het derde deel in Nederlandse vertaling. De 44-jarige Larcenet is een stripgrootheid sinds zijn vierluik De dagelijkse worsteling, dat vorig jaar als één boek in het Nederlands verscheen. Voor het eerste deel ontving hij in 2004 de belangrijkste Europese stripprijs, die van beste album op het stripfestival van Angoulême. Het eerste deel van Blast werd in Frankrijk bekroond met de boekverkopersprijs.

Net als De dagelijkse worsteling is Blast een diepgravend psychologisch portret van een man met existentiële vragen, maar daar houdt elke vergelijking op. Hoewel, Larcente heeft serieuze vaderissues: in beide series triggert de dood van de vader de start van de zelfanalyse.

In Blast kiest Polza Mancini, de zeer corpulente schrijver van culinaire boeken, ervoor als clochard te gaan leven, in het bos, in een grot, in verlaten huizen, ver van andere mensen. Hij snijdt de banden met de maatschappij door. Dat dit nieuwe leven niet goed afloopt is vanaf het begin duidelijk, want zijn relaas heeft de vorm van een verhoor. Polza wordt verantwoordelijk gehouden voor de dood van een jonge vrouw en de agenten willen horen wat er is gebeurd. Polza dwingt ze zijn hele reis mee te maken, vanaf de eerste nacht, de dag dat zijn vader stierf.

Voor zijn drastische besluit zijn vrouw, huis en werk achter zich te laten, geeft hij in de drie tot nu toe verschenen delen steeds een andere uitleg. „Ik besefte dat ik, nu mijn vader dood was, hem niet meer kon teleurstellen. Ik was vrij.”

Tegen de bewoners van een anarchistische gemeenschap van armoedzaaiers in het bos zegt hij: „Ik leef in het bos, omdat de leegte me aantrekt. En ik hoop dat ze zo groot wordt dat ze de plaats van mijn vet inneemt.” Hij wil op een dag „helemaal verdwijnen”.

Maar dat verklaart vooral de impuls. Polza heeft ook dieper liggende redenen: de haat die hij vanaf zijn achtste ondervindt voor zijn „misvormde” lichaam, de dood van zijn broer bij een auto-ongeluk waarbij hij dronken achter het stuur zat. Zoals hij ook tegen de agenten zegt: zijn daad is geen eenvoudige optelsom. Hij kiest de vrijheid om te leven zoals hij wil, maar zijn zelfhaat jut hem ook op tot roekeloosheid – misschien wil hij nog liever sterven dan leven.

In het eerste deel overheerst nog een relatief lichte toon, waarbij Polza in een warme zomer geniet van wandelen in de natuur, van de stilte, de eenzaamheid en de vogels. Hij zwelgt in drankmisbruik, maar zijn delirische tocht heeft nog de glans van tijdelijke onbezonnenheid. In de winter wordt zijn reis grimmiger. De kou dwingt hem te verblijven in de grot van een gehaaide drugsdealer die op het platteland goede zaken doet. In zijn jacht op de blast neemt Polza zijn toevlucht tot heroïne. Hij vlucht als zijn kameraad een monsterlijke daad begaat.

Wat er nog aan optimisme in Polza leeft, verdwijnt in het derde deel, waarin Larcenet van de reis een onthutsende hellegang maakt. Polza toont zijn amorele kant en zijn doodsdrift. Hij gebruikt geweld om vrij te blijven, maar wordt ook zelf slachtoffer. Al eerder is hij overvallen en geslagen, maar dit keer wordt hij bruut verkracht en gemarteld. Het is Carole die hem vindt, de vrouw om wie zijn politieverhoor draait, samen met haar vader, die Polza kent uit het ziekenhuis waar hij verbleef na zichzelf te hebben gestoken. Hoe die ontmoeting afloopt, moet blijken in deel vier.

Blast is een geniaal, sinister kunstwerk, waarmee Larcenet het striplandschap opnieuw indeelt. Zijn quasi-naïeve kriebelstijl in De dagelijkse worsteling heeft hij verruild voor een slagvaardiger lijnvoering. En hij heeft zich bekeerd tot zwart-witte grafiek, die van de pagina’s zingt. Blast baadt in een verwrongen, duister licht. De tekeningen zijn scherp en gedetailleerd, maar gedrenkt in overdadige grijstinten en vloeiende, geaquarelleerde schaduwen. Schitterend is hoe hij de blast visueel verbeeldt: het is alsof Polza wordt besprongen door kindertekeningen: gele huisjes, rode kippen, en veelkleurige figuurtjes. En daarna krijgt hij steevast een visioen van een moai, een beeld zoals op Paaseiland staat.

Met Polza heeft Larcenet een fascinerend personage geschapen: bewonderenswaardig radicaal en non-conformistisch, geslepen en nietsontziend, maar toch ook mededogen opwekkend. Zijn blast is een diep doorleefde persoonlijke ervaring.

De overweldigende kracht van Blast ligt ook in het feit dat het pure strip is. Geen moment wekt het de drang de visuele, filmische kant te isoleren van de tekstuele, literaire kant. Blast is even goed geschreven als getekend, beeld en woorden lopen voorbeeldig in elkaar over. Polza is een sterk, eigenzinnig karakter met een dwingende toon, of hij nu spreekt of alleen kijkt.

In zijn stijl valt de voorkeur voor grote neuzen het meest op: het zijn of gehaktballen of winterpenen. In een interview zei Larcenet: „Ik wil geen hyperrealistische tekeningen maken. Door die neuzen kan en mag ik wat minder veeleisend zijn in de andere verhoudingen en decors. Ik heb die neuzen nodig. Ze zijn mijn vrijbrief tegenover alle intellectuele eisen van de realiteit.”

Soepel benut Larcenet ook het prisma van de misdaadvertelling. De twee nurkse agenten dammen het almaar uitdijende, soms extatische verhaal van Polza geregeld in met hun beledigende, nuchtere commentaar. Dat zijn geestige episodes.

Zijn streven naar totale onthechting noemen de agenten kletspraat en vage mystiek. Dan wel mystiek van de nihilistische soort, waarbij het contact wordt gezocht met het Grote Niets in plaats van met een godheid. In Mystiek Lichaam van Frans Kellendonk gebeurt iets vergelijkbaars, als hoofdpersoon Broer zich soms een moment opgetild voelt, uit zijn gewone doen verheven. Hij zou wel meer willen, maar blijft steken in deze aanzet – Polza gelooft oprechter in zijn doel.

Manu Larcenet: Blast, dl. 1, 2, en 3, Uitgeverij Oog & Blik/De Bezige Bij, 208 pag., €24,90 per deel. Manu Larcenet: De dagelijkse worsteling (compleet). Uitgeverij Oog & Blik/De Bezige Bij, 256 pag. €24,90.