Zomerpoëzie

Als zaterdag de zomer afloopt, kunnen we tevreden zijn. Het was de mooiste in jaren. Iedereen heeft genoten van het weer. Het wordt daarom deze week een moeilijk afscheid. Ik heb besloten de poëzie erbij te hulp te roepen. Het afscheid van de zomer in drie gedichten.

Op het raam van hotel De Walvisvaarder in Lies op Terschelling vond ik een print van het gedicht Glorie van Tom van Deel. Het was een volmaakte vertolking van mijn gevoelens aan het einde van die zondoorstoofde vakantie.

Het is weer helemaal genieten. Zo

zou het altijd moeten zijn: licht

en vredig dus, alsof alles ineens

voor altijd en nooit weer is. Geen lengte

van dagen, geen gevoel van

weg te moeten en te huilen. Nooit

gaat meer iets voorbij.

Jan Eijkelboom geniet in Strandwandeling ook, maar in de derde strofe duikt een storende bijgedachte aan de oorlog op.

Ik heb het geweten:

uren gewandeld op het strand

van Hoek van Holland

in de zon met het kind op mijn schouders

De volgende morgen

krimpend van pijn verliefd

in de spiegel gestaard

naar haar twee beentjes

uitgespaard op mijn kreeftrode borst.

Waarom dan toch weer gedacht

aan die schim van een man op een brug

in een Japanse stad?

Wij leven immers nog.

In September doet Koos Schuur de deur van een mooie zomer op slot.

Blond lief, de laatste gouden dagen

wuiven ten afscheid en wij achten ’t niet,

de bomen en de struiken dragen

hun laatste tooi en in het riet

schuilen de vissen en hun trage

vinslag verraadt hen niet.

Het wordt nu tijd ons te bezinnen,

de bossen kleuren dieper bruin

en lila herfstasters beginnen

hun ijle bloeien in mijn tuin.

Het wordt nu tijd om te bedenken:

de zomer houdt niet eeuwig stand;

hij schonk ons al wat hij kon schenken –

de laatste gouden dagen wenken

en herfst komt reeds in feller kleuren drenken

de bloemen van dit dierbaar land.