...zie de positie van stateloze burgers

In Nederland bevinden zich 80.000 mensen van wie de nationaliteit onbekend is en die daardoor de meest fundamentele rechten ontberen. De politiek verzuimt al jaren hen te helpen, stelt Tamar de Waal.

‘Humaner’, dat is het toverwoord dat het nieuwe asielbeleid van staatssecretaris Teeven en Rutte kenmerkt. Er is sprake van „voortschrijdend inzicht” stelt de premier. „Het is goed om met enige regelmaat te kijken naar je beleid.”

Ik stel voor dat Teeven en Rutte ook ‘even kijken’ naar de situatie van James en Jim Sen, geboren in Nederland in 2005 en 2009. Voor beide broertjes bestaat er geen mogelijkheid om een rechtmatig verblijf in Nederland te verkrijgen, maar uitgezet worden kunnen ze ook niet. Bij politici die humaan beleid hoog in het vaandel hebben, zouden alarmbellen moeten gaan rinkelen bij het horen over de kwetsbare positie waarin deze kinderen zich bevinden. Want hoe is het mogelijk dat kinderen van vier en acht, hier geboren en getogen, zolang in juridische duisternis verkeren? Al jaren leeft de familie Sen onder zeer armoedige omstandigheden. Ze kunnen geen beroep doen op sociale voorzieningen, geen bankrekeningen openen, geen verzekering afsluiten, ontvangen geen kinderbijslag en mogen niet reizen, diploma’s halen of werk zoeken. Deze situatie is ontstaan doordat de moeder van Jim en James, slachtoffer van mensenhandel en seksuele uitbuiting, niet in het bezit is van de juiste Chinese persoonsdocumenten (‘Hukou’) om teruggestuurd te kunnen worden, en de Chinese overheid weigert deze te verstrekken. Ze moet Nederland uit, maar kan nergens heen. Hetzelfde geldt voor de vader van James, de vader van Jim is onbekend. De positie van de twee zoons is zo mogelijk nog neteliger: voor hen zal de Chinese overheid al helemaal nooit een Hukou regelen, omdat zij nog nooit een stap op Chinees grondgebied hebben gezet.

Wat nu? Het grote probleem is dat er in Nederland geen officiële procedure bestaat om ‘stateloosheid’ te erkennen. Niettemin staan zij geregistreerd als ‘nationaliteit onbekend’, ten gevolge van de juridische patstelling waarin hun moeder zich bevindt. En ook al lijkt er weinig relevant verschil te bestaan tussen ‘stateloos’ en ‘nationaliteit onbekend’, in een wereld opgebouwd uit landsgrenzen, natiestaten en verblijfsvergunningen maakt het veel uit onder welke wettelijke noemer je valt. Zo krijgt in Nederland iedereen die vijf jaar als ‘stateloos’ ingeschreven heeft gestaan het recht op naturalisatie, via het Staatlozenverdrag (1954) en het Verdrag ter vermindering van Stateloosheid (1961). Maar een persoon van wie de ‘nationaliteit onbekend’ is, heeft recht op niets.

De vraag die nu ongetwijfeld opborrelt bij de humane politicus is: maar waarom is er dan geen officiële procedure om ‘stateloosheid’ te erkennen? Dat is een goede vraag, niet in de laatste plaats omdat Nederland door het ontbreken van zo’n procedure bovengenoemde internationale verdragen schendt. Jim en James vallen precies in de precaire groep die de internationale gemeenschap na de Tweede Wereldoorlog besloot te willen beschermen. Binnen het huidige beleid kan Nederland echter niets doen, omdat de gemeentelijke basisadministratie alleen stateloosheid vaststelt als Jim en James officiële papieren tonen waarin staat dat ze geen nationaliteit hebben. Hoe kafkaësk: de overheid vraagt aan de statelozen wat ze nooit kunnen geven.

Vanuit humaan opzicht, de nieuwe bron van inzichten, doet Nederland niets anders dan het toepassen van een hachelijk administratief trucje om Jim en James buiten de deur te houden. En niet alleen hen: op dit moment zijn er in Nederland 80.000 mensen die ingeschreven staan als ‘nationaliteit onbekend’, tegen 300 als stateloos (voornamelijk Molukkers) – zonder dat er een procedure bestaat om van de ene groep in de andere groep te komen.

De politiek verzuimt al jaren om wetgeving te ontwikkelen om gevallen zoals die van de familie Sen adequaat te beoordelen. Misschien bevalt de grootte van de groep vreemdelingen van wie de ‘nationaliteit onbekend’ is onze huidige beleidsmakers niet, en komt de overheid hun daarom nauwelijks tegemoet.

Het is hoog tijd dat Nederland zich initiatiefrijker gaat opstellen ten opzichte van de problematiek van kinderen zonder nationaliteit. Dit zijn kinderen verstoken van het belangrijkste mensenrecht, het ‘recht om rechten te hebben’, in de woorden van filosoof Hannah Arendt. Als we inderdaad even stilstaan om ‘naar het beleid te kijken’, dan is de noodzaak voor meer humane wetgeving meteen glashelder.

De in het artikel genoemde namen zijn gefingeerd.