Westerbork was niet alleen maar erg

Dagboeken en brieven die mensen ter plekke in Westerbork schreven, verschillen sterk van latere memoires.

Deel van het oorlogsdagboek van Leon Magnus uit Westerbork. De tekening van Jo Spier is erin geplakt. Herinneringscentrum Kamp Westerbork

Etty Hillesum is 28 jaar oud als ze in de zomer van 1942 aankomt in kamp Westerbork. Hillesum werkt voor de Joodse Raad, een door de Duitsers opgezette organisatie die de gevangenen in het kamp helpt zich voor te bereiden op het transport naar het oosten. Ze is geschokt door wat ze aantreft, schrijft ze in haar dagboek. „Een volgepropt mensenpakhuis, men slaapt met drie tegelijk op twee smalle ijzeren britsen, bij de mannen geen matrassen, geen mogelijkheid ergens iets op te bergen, benauwd, schreeuwende kinderen, de grootst mogelijke ellende. Ik zal proberen ze er zo goed mogelijk door te slepen.”

Hillesums dagboeken over Westerbork zijn na de oorlog uitgegeven en beroemd geworden. Maar er zijn honderden andere geschriften (brieven, dagboeken en memoires) overgeleverd waarin gevangenen vertellen over hun verblijf in het doorvoerkamp in het oosten van Nederland. Historica Eva Moraal hoopt vrijdag aan de Universiteit van Amsterdam te promoveren op een studie naar deze egodocumenten.

Moraal was vooral geïnteresseerd in de pennenvruchten van onbekende gevangenen, zegt ze. „De dagboeken van Hillesum of Philip Mechanicus kennen veel mensen. Dat zijn geschriften van welsprekende auteurs. Maar ik wilde graag weten hoe een gewone huisvrouw dacht over Westerbork, en hoe ze dat op haar eigen, soms onbeholpen manier opschreef.”

Huishoudelijke mededelingen

De geschriften die tot stand kwamen tijdens het verblijf in Westerbork – de brieven en de dagboeken – verschillen sterk van de memoires die door overlevenden na de oorlog werden gepubliceerd, ontdekte Moraal. „De schrijvers hielden zich tijdens de oorlog vooral bezig met de dagelijkse gang van zaken in het kamp. Daar schreven ze overigens lang niet altijd even negatief over. Het zijn vooral huishoudelijke mededelingen, waar af en toen wat emotie doorheen schemert. In de memoires van na de oorlog zie je dat auteurs bezig zijn met het verwerken van de oorlog en het opnieuw vormgeven van hun identiteit.”

Als voorbeeld geeft Moraal het verschil tussen brieven die door kinderen tijdens de kamptijd geschreven zijn en jeugdherinneringen die na de oorlog op schrift zijn gesteld. „Kinderen mochten net als de andere gevangenen één keer per twee weken en brief van twee kantjes schrijven. Ze hadden het veelal over gewone zaken, zoals hun bezigheden in de school van het kamp. Ze vertelden wat ze hadden geleerd: Westerbork was voor hen niet alleen maar erg. Uit na de oorlog verschenen memoires komt een heel ander beeld naar voren. De auteurs noteerden dat het een rommel was in de klas, dat er van normaal lesgeven geen sprake was. Ze schreven over de jeugd die hun ontstolen was in het kamp.”

Wat ook opvalt aan de egodocumenten die na de oorlog tot stand kwamen, is dat ze zich voegden naar het verhaal van de oorlog zoals dat inmiddels min of meer vaststond. Zo wordt over Westerbork vaak gezegd dat de gevangenen er leefden van dinsdag tot dinsdag, de dag waarop de transporten naar de vernietigingskampen vertrokken, zegt Moraal. „In veel memoires lees je over dat weekritme, terwijl de transporten maar gedurende een beperkte periode op dinsdag reden. Maar kennelijk is dat beeld zo vast komen te staan, dat verschillende mensen het later ook zo in hun memoires hebben gezet.”

Een ander verschil tussen de bronnen uit de oorlog en die uit de jaren erna is de manier waarop er over de man-vrouwverhoudingen wordt geschreven, ontdekte Moraal. Uit dagboeken en brieven blijkt dat de sekseverhoudingen in het kamp een grondige verandering ondergingen: mannen en vrouwen namen deels elkaars taken over. „In de naoorlogse memoires worden de traditionele rollen weer hersteld”, vertelt ze. „Moeder zorgde voor de kinderen en vader probeerde als gezinshoofd een vrijstelling van transport te krijgen. Zo proberen de schrijvers hun eigen identiteit te herstellen.”

Het belang van Auschwitz

Vanaf de jaren tachtig kwam er het uitgekristalliseerde verhaal over de Holocaust bij, waarin alle wegen naar Auschwitz leiden. Moraal: „De Oostenrijkse Jood Fred Schwarz zat vier jaar in Westerbork. In zijn Nederlandstalige herinneringen, die hij na zijn pensioen opschreef, neemt dat verblijf de belangrijkste plaats in. Maar de Duitstalige bewerking van het boek begint met zijn tijd in Auschwitz, waar hij maar zeer kort is geweest. Ik heb hem geïnterviewd en vroeg hem waarom hij dat veranderd had. Dat moest ik eigenlijk wel doen, antwoordde hij. Hij voelde dat het van hem verwacht werd.”

Moraal was aanvankelijk van plan een volwaardige geschiedenis van Westerbork te schrijven, maar verlegde in de loop van haar onderzoek de focus naar een grondige studie naar de beleving van en herinnering aan Westerbork in egodocumenten. „Zo’n monografie kan je eigenlijk pas schrijven na twintig jaar grondige studie.” Haar proefschrift is voor een latere geschiedschrijver een waardevol hulpmiddel, hoopt ze. „Ik toon op welk gebied de bronnen van elkaar verschillen en hoe het verstrijken van de tijd herinneringen heeft gevormd.”