Optimistischer dan zijn moeder in haar eersteling

Voor het eerst sinds 1887 werd de Verenigde Vergadering van de Staten-Generaal gisteren toegesproken door een koning. Qua uiterlijk vertoon was dit, afgezien van de tweede troon op het podium die bestemd was voor koningin Maxima, het meest markante verschil met vorige troonredes. Prinsjesdag is nu eenmaal één grote traditie, het aantreden van de nieuwe generatie bracht, nee mág hierin geen grote verandering brengen.

Er werd dus ook weer gewoon, net als alle voorgaande jaren, voorgelezen van papier. Goed en rustig voorgedragen – waarin men misschien wel de vader van jonge kinderen zou kunnen herkennen, die ook voorgelezen moeten worden. Niet het ‘vorstelijke’ Nederlands waar Willem-Alexanders moeder patent op had. Gewoon Algemeen Beschaafd Nederlands.

Nieuw was ook de persoonlijke noot waarmee de koning begon. Hij bedankte zijn moeder die „zich 33 jaar lang met groot plichtsbesef, warmte en diep gevoelde betrokkenheid” had ingezet voor het Koninkrijk. Toen koningin Beatrix in 1980 haar eerste Troonrede hield, beperkte zij zich tot het verwijzen naar de woorden waarmee haar moeder een jaar eerder de Troonrede was begonnen, om direct tot de orde van de dag over te gaan: „Economische groei heeft ons land ook voor het komende jaar niet of nauwelijks te verwachten”.

In dit opzicht was de Troonrede van koning Willem-Alexander optimistischer dan de debuuttoespraak van zijn moeder. Natuurlijk, de economie kampt met „specifieke problemen van structurele aard” en „hervormingen om het groeivermogen van de Nederlandse economie te versterken” zijn nodig. Maar er is hoop: er zijn „voorzichtige signalen dat het einde van de mondiale crisis in zicht is” en dat dit „perspectief op herstel” biedt.

En de boodschap? We gaan van de verzorgingsstaat naar een „participatiesamenleving”. Niet nieuw, maar zo kreeg de koning heel modern z’n ‘eigen’ buzzwoord.