Sierra onderzoekt de waarde van een mens

Video-installatie ‘Destroyed Word’, 2010-2012, Santiago Sierra

Eén starend oog is genoeg om het merg in je botten te doen stollen. Eén oog dat door een spleet in een muur in de lens van een fotocamera kijkt. Het gezicht moet daarvoor plat op de matras gedrukt, want de spleet bevindt zich op vloerhoogte. Sneakers, stilettohakken en broekspijpen fladderen voorbij. Er is sprake van drankjes, hapjes, een feestje.

Het is het jaar 2000 en in de New Yorkse kunstruimte PS1 opent een tentoonstelling van de Spaanse kunstenaar Santiago Sierra (1966). Sierra laat niets zien in PS1, behalve een man ingemetseld achter een muur. De man is een Cubaanse immigrant die door de kunstenaar is ingehuurd voor het minimumloon van tien dollar per uur. Voor dat loon verblijft de Cubaan 360 uur lang achter de muur. Eten krijgt hij toegediend via de streep opengelaten bakstenen.

De zwart-wit foto’s die van deze actie worden gemaakt gaan nog niet de hele wereld over. Zo beroemd is de Spanjaard in 2000 nog niet. Dat komt pas een jaar later op de Biënnale van Venetië, waar Sierra bij een stuk of tachtig Afrikaanse illegalen tegen betaling het zwarte kroeshaar helblond verft en ze door de Venetiaanse steegjes laat draven. En op de Biënnale in 2003, waar hij het Spaanse paviljoen afgrendelt voor niet-Spanjaarden. Alleen bezoekers die hun Spaanse paspoort kunnen laten zien, mogen doorlopen.

In twee klappen raakt Sierra internationaal beroemd én berucht als kunstenaar die het archaïsch nationalisme van de Biënnale aan de kaak stelt, en schrijnend duidelijk maakt wat de waarde is van een mens in ons kapitalistisch systeem. Vijf, tien, twaalf dollar? Als de omstandigheden maar kommervol genoeg zijn, dan laat Sierra zien, zijn wij mensen overal voor in.

Het is tien jaar later. Sierra’s naam en werk is inmiddels over de hele wereld bekend geworden. Opdrachten stromen zo overvloedig binnen in zijn studio in Madrid, dat een legertje assistenten volcontinu aan het werk is. Op dit ogenblik alleen zijn op ten minste acht plaatsen tentoonstellingen met werk van Sierra. Van Berlijn tot Madrid, van Göteborg tot Tilburg.

In museum De Pont in Tilburg opende afgelopen weekeinde een kleine presentatie van één enkele video-installatie bestaande uit tien monitoren. Destroyed Word, gemaakt in 2012, laat in tien variaties de vakkundige vernietiging zien van de letters die samen het woord ‘KAPITALISM’ vormen. In de museale Sammlung Falckenberg in Hamburg-Harburg is vlak daarvoor het grootste retrospectief ooit van de kunstenaar geopend. De tentoonstelling beslaat alle vier de verdiepingen van het particuliere museum. In de kraakwit geschilderde voormalige rubberfabriek ontvouwt zich een chronologisch verhaal.

De grootste verrassing is het begin en het einde. Sierra’s leerjaren liggen weliswaar in Madrid, waar hij aan de kunstacademie studeerde, maar in 1989 trekt hij naar Hamburg, waar hij onder de invloed raakt van de docenten Franz Erhard Walther en onze eigen Stanley Brouwn. Van hen leert hij de minimalistische en conceptuele beeldtaal. Hamburg – met zijn gigantische overslaghavens vol zeecontainers, afvalbergen, industriële gebouwen en kapitalistische geldmachinerie – is voor Sierra, zo zegt hij in een interview in de catalogus, als de ‘Sixtijnse kapel’. Hier ligt zijn kraamkamer, hier put hij zijn inspiratie uit.

De eerste werken op de tentoonstelling betreffen zakelijke fotoseries van straatmeubilair, tegels, steigers, van containers en afvalhopen in de Hamburgse haven. De foto’s zijn opmerkelijk, omdat ze in verband staan met later: met groezelige driedimensionale kubussen die uit de muur steken, 24 vierkante stukken uitgehakte straat op een museumvloer neergelegd..

Echt interessant wordt het op het moment dat de kunstenaar zijn radicale maatschappijvisie verweeft met het minimalistische vocabulaire. Het beste voorbeeld daarvan is het uit 2002 daterende fotowerk 3000 gaten van 180 x 50 x 50. Opnieuw vroeg de kunstenaar aan de meest kanslozen – in dit geval illegale Afrikaanse bootvluchtelingen die op de Spaanse costa’s aanspoelen – om tegen een uurloon van 4 dollar slavenwerk te verrichten in de brandende Spaanse zon. Op de foto’s zie je hoe Afrikaanse mannen rechthoekige gaten in de dorre grond uithakken. Het is zinloos werk met een vieze bijsmaak: de gaten lijken van dichtbij op graven, de mannen beulen zich af voor een schijntje. Op de luchtfoto’s die zijn gemaakt van het werkterrein, ontstaat een heel ander beeld. Daarop ontvouwt zich een even wonderschoon als wrang panorama: een landschap dat is veranderd in een subliem raster van stippels en strepen.

Maar wat jammer is van deze vondst: hij borduurt er zo graag en veel op voort. Dus maakt hij foto’s van verslaafde Mexicaanse hoeren die tegen betaling van een shot heroïne een streep op hun rug laten tatoeëren. Dus maakt hij foto’s van mannen die voor geld in een museumruimte een balk op hun schouders dragen.

Een thema dat zich in 2006 voegt bij deze kritiek op kapitalistische machtstructuren, is dat van schuld en boete. Hiervoor schuwt Sierra geen paardenmiddel. In maart 2006 verandert hij een voormalige synagoge ten noorden van Keulen om tot een gaskamer. Alleen te betreden mét gasmasker op. Even banaal is zijn verzoek aan oudere Duitsers om in het openbaar een half uur lang met het gezicht naar de muur te gaan staan. Opdat ze boete doen voor hun zonden in de Tweede Wereldoorlog begaan. In 2012 laat hij veteranen uit de oorlogen in Kroatië, Bosnië, Servië en Somalië hetzelfde kunstje nog eens herhalen.

Het is niet eens de vraag óf deze werken nog iets toevoegen aan wat we al weten. Het is de vraag wat Sierra ermee beoogt. Melkt hij zijn successen uit? Zijn z’n artistieke uitgangspunten ten prooi gevallen aan commercialisering? Ongetwijfeld. Maar gelukkig zijn er lichtpuntjes.

The Commissaries (2012) is een indrukwekkende én speelse film. Op Russische marsmuziek rijden zeven zwarte auto’s over de Madrileense Gran. Op hun dak billboards met daarop portretten van de koning van Spanje en de zes regeringsleiders die na Franco aan de macht kwamen. Het is als de begrafenisstoet van de Noord-Koreaanse leider Kim Jong II in 2011, maar nu potsierlijk en geestig. Alles is in spiegelbeeld gedraaid en dus onleesbaar. De portretten staan ondersteboven op het dak van de auto’s. En zelfs als de camera omhoog zweeft, vanuit de lucht opnames maakt waardoor de regeringsleiders rechtop komen te staan, lijken de mannen met hun standvastige tronies op stripfiguren. Ze zijn klaar voor het echte werk: hun eerste speelfilm.