Regisseur van blowfilms terug op het arthousehonk

Prince Avalanche speelt zich af in 1988, wat vooral aanleiding lijkt om de personages met witte sportsokken te laten zien. Om hun kleding en uiterlijk kan sowieso gegniffeld worden. De film is gesitueerd in een (ook in werkelijkheid) door bosbranden geteisterd gebied in Texas. De door vuur vernietigde bomen bieden een treurig schouwspel maar hebben ook een spookachtige schoonheid.

In dit unheimische decor zijn twee mannen aan het werk, Alvin (Paul Rudd) en Lance (Emile Hirsch). In een bedaagd tempo spuiten ze met gele verf strepen op de weg en slaan ze palen in de grond. Ze overnachten in een tent en ruziën over van alles en nog wat. Terwijl Alvin zich thuis voelt in de natuur en goed om kan gaan met een solitair leven, wil Lance dolgraag elk weekend naar de stad om meisjes te versieren.

De weinige plot die Prince Avalanche heeft, draait om de verschillen tussen de twee mannen, tussen iemand die aan zijn puberteit wil vasthouden en iemand die zich te oud gedraagt voor zijn leeftijd.

Die twee polen zijn – niet toevallig – ook van toepassing op regisseur David Gordon Green, die arthousefilms als zijn dromerige debuut George Washington afwisselt met stonerkomedies als Pineapple Express. In Prince Avalanche, een in 16 dagen gemaakte lowbudgetremake van een IJslandse film, verenigt hij beide stijlen. Het resultaat is een merkwaardig melancholieke film, vooral door de scènes die zich afspelen in het verbrande bos.

André Waardenburg