Huiveren bij uitgebeend portret Claudel

Regisseur Bruno Dumont heeft voor zijn prachtige nieuwe film Camille Claudel, 1915 minder veranderd aan zijn vaste manier van werken dan je op het eerste gezicht zou denken. Dumont heeft altijd gezegd een hekel te hebben aan acteurs – de authenticiteit waar hij op uit is heeft weinig te maken met acteren in de conventionele betekenis van het woord en hij werkt in zijn films dan ook vrijwel altijd met amateurs. Toch ging hij in op het aanbod van de Franse diva Juliette Binoche, die hem opbelde of hij geen film met haar wilde maken. Maar Dumonts werkwijze blijft eigenzinnig: hij gaf Binoche geen scenario, maar brieven en andere documenten van de beeldhouwster Camille Claudel, die een groot deel van haar leven in psychiatrische instellingen verbleef. En als haar tegenspelers koos hij voor daadwerkelijk zwaar gehandicapte bewoners van een inrichting, het verplegend personeel in de film is dat in werkelijkheid ook. Dumont liet Binoche niet ‘spelen’, maar vooral reageren vanuit haar eigen gevoelens en gewaarwordingen. Bij een emotioneel actrice als Binoche betekent dat dat bij haar de tranen in de film veelvuldig stromen.

Dat leverde een ongewoon intense, kale film op die het grote lijden van Claudel uitbeeldt, die leed aan ernstige paranoïde wanen. Als haar tegenpool treedt haar broer op – de dichter Paul Claudel – die met nauwelijks verholen weerzin is afgebeeld als een hypocriete, katholieke burgerman, die dweept met de radicale poëzie van Rimbaud, maar met de ontregeling van zijn eigen zuster op geen enkele manier raad weet. Ook het hoofd van de kliniek kan op Dumonts verachting rekenen – autoriteit staat in deze film gelijk aan stompzinnigheid, de autoriteiten haten zou te veel eer zijn.

De scènes van Binoche met de gehandicapte bewoners van de kliniek zijn ronduit ongemakkelijk, en zo moet het ook zijn. Het isolement van Claudel die zich geen seconde op haar plaats voelt in de kliniek krijgt zo indringend gestalte . De film vervalt ook niet in het cliché van het genie dat moet lijden voor de kunst. Claudel lijdt juist zo onnoemelijk omdat haar werk als kunstenaar haar onmogelijk is gemaakt. Ze lijdt niet voor haar kunst, maar zonder haar kunst.

Peter de Bruijn