Hoe spekt de politiek ons bedrijfsleven?

Wie de macht heeft in Nederland zie je op de eerste pagina’s van de Miljoenennota. De nota over ’s Rijks financiën is een politiek document. Gekozen politici nemen de beslissingen. Maar de keuzes van het kabinet weerspiegelen naast politieke preferenties ook gewoon de machtsverhoudingen in de economie.

Sommige politici, zoals D66-leider Alexander Pechtold, willen die machtsverhoudingen liever niet onderkennen. De oproep van werkgeversvoorzitter Bernard Wientjes (VNO-NCW) aan de Eerste Kamer om de pensioenversobering van het kabinet te steunen, schoot Pechtold in het verkeerde keelgat. „Wie heeft hier de democratisch gelegitimeerde macht”, schreef hij vorige week op de opiniepagina van deze krant. Wat volgde was een aanval op de werkgeversmacht en op de achterkamertjesakkoorden van het kabinet met belangengroepen. En een oproep tot hervormingen die, zoals bekend, volgens hervormers gegarandeerd tot meer economische groei leiden.

Maar wie in crisistijd wil hervormen, heeft politiek vernuft én politieke meerderheden nodig. Doorzettingsmacht. Het eerste kabinet-Lubbers (1982-1986) had die macht in de vorige zware economische crisis. Het tweede kabinet-Rutte niet. Waar politieke macht tekortschiet, komen andere machten langszij. Werkgevers. Vakbonden. Milieuorganisaties. Bouwers.

Naast deze politiek van alledag is er nog zoiets als de langetermijntrend, die niet door wisselende politieke stemmingen wordt bepaald maar door ideologie en schaarste. Daarom zijn de werkgevers al jaren de dominante politiek-economische machtsfactor. Zij profiteren van de internationale liberale revoluties (marktwerking, privatisering, vrijmaking van geld- en kapitaalverkeer). Dat gedachtengoed is verankerd in denken en doen van de middenpartijen. Tegelijkertijd bieden de werkgevers politici hoop: de belofte van werk. Nieuwe banen zijn schaars. De uitdijende, huizen bezittende middenklasse rekent op de overheid voor een sociaal vangnet, maar op het bedrijfsleven voor banen.

Nergens zie je die macht van de werkgevers beter dan in de opbrengst van de vennootschapsbelasting op de bedrijfswinsten. In 2000, een economisch topjaar, was de winstbelasting goed voor de dekking van 12 procent van de rijksuitgaven. In 2012 was de geraamde winstbelasting amper goed voor 6 procent van de uitgaven. Voor 2014 is het nog maar 4,8 procent. Ondernemingen dragen steeds minder bij aan ook voor hen nuttige overheidsvoorzieningen, zoals gezondheidszorg en infrastructuur.

Natuurlijk, talloze ondernemingen voelen de crisis. Maar een frappant kenmerk nu is juist de voortreffelijke winstgevendheid in de marktsector. Met dank aan saneringen en banenverlies. Het deel van de economische koek dat bedrijven voor zichzelf als winst kunnen afsnijden, is ruim 18 procent, zo blijkt uit de ramingen van het Centraal Planbureau (CPB). Iets minder dan in 2000, maar zeker de helft zoveel als in de economische malaise rond 1980.

De lage winstbelasting is deels het gevolg van verliezen in 2008 en 2009 die bedrijven nog steeds kunnen verrekenen met hun actuele winsten. Maar het is ook bewust politiek beleid. De internationale trend is nog steeds een lagere winstbelasting, zo blijkt bijvoorbeeld uit een recente analyse van drie medewerkers van de OESO, de denktank van de grote industrielanden. Hier heeft het kabinet ook extra fiscale vrijstellingen voor bedrijven ingevoerd om de economie te stimuleren. En royale aftrekposten voor innovatie.

Het resultaat? Dramatisch lage investeringen van het bedrijfsleven. In 2012. In 2013. En niet meer dan wat „voorzichtig herstel” in 2014, oppert het CPB.

Gevolg: nog verder oplopende werkloosheid.

Tel uit je winst.

Maarten Schinkel en Menno Tamminga schrijven in deze column over economische ontwikkelingen.