Hier worden enkel de appels gestolen, nooit het geld

Jan van der Grift kreeg op de veiling zo’n slechte prijs voor zijn appels dat hij ze maar weer naar huis nam. Nu liggen ze op een zelfbedieningskar bij zijn boerderij.

Klanten rekenen zelf uit hoeveel ze moeten betalen. Foto Peter de Krom

Fiets voor de mooiste route naar de zelfbedieningsfruitkar van Jan van der Grift oostwaarts Utrecht uit en volg de Kromme Rijn tot je bij Bunnik bent. Heggen en houtwallen, eiken en beuken, schaapjes in de wei.

Mocht je verdriet hebben om de flats die links en rechts achter de coulissen schuilgaan, denk aan wat J.C. Bloem in 1947 dichtte: „En dan, wat is natuur nog in dit land? Een stukje bos, ter grootte van een krant. Een heuvel met wat villaatjes ertegen.”

Ga de Koelaan op en zie aan de schoolmeisjes die hier fietsen dat je al in de biblebelt bent: lange rokken, geen make-up. Dan, vlak voor Zeist: de Tiendweg. Vroeger een boerenzandpad, nu een sluiproute voor automobilisten die files willen vermijden. De zelfbedieningsfruitkar van Jan van der Grift is helemaal aan het eind. Hier, op de grens van de Randstad en het platteland, kun je zelf je appels en peren pakken en, als je zelf hebt uitgerekend hoeveel het kost, betalen door geld in een groen blik werpen. Niemand die erop let of je eerlijk bent.

Het is een regenachtige woensdagmiddag en kinderen in blauwe overalls spelen op het erf van de dichtstbijzijnde boerderij. Op de kar liggen zakjes jonagold. Twee kilo voor twee euro vijftig, vijf kilo voor vijf euro. Eén appeltje kopen kan ook: 30 cent. Er zijn uien: 70 cent. Er was kropsla: 80 cent. Maar die is op.

Jan van der Grift komt net naar buiten. Hij ziet eruit als iemand die gewend is aan hard werken in de buitenlucht. Mager en gebruind. Korte broek en kaplaarzen. Zijn haar is gemillimeterd, op een klein kuifje na.

Het begon ermee dat hij op de veiling zo’n slechte prijs voor zijn delcorfs kreeg dat hij ze maar weer mee naar huis nam. Dat is twee jaar geleden. Je hoort wel dat boeren in Afrika onder de kostprijs moeten produceren, zegt hij, maar voor Nederlandse fruittelers is het net zo. Jan van der Grift – getrouwd, vier dochters – zegt dat hij wel kan leven van zijn bedrijf, maar niets overhoudt om te investeren.

Dus sleepte hij een kar naar de berm van de weg, hing er een stuk zeildoek boven en legde die delcorfs erop. Delcorfs zijn appels voor de fijnproevers: oud ras, vroeg rijp, fris van smaak. Binnen een paar weken waren ze uitverkocht.

Op zaterdag – nooit op zondag – verkoopt hij nu ook fruit in de schuur. En versgeperst sap, van andere fruittelers in de buurt. Groente. Aardappelen. Hij ziet steeds meer jonge mensen: ze willen eten dat om de hoek geproduceerd wordt.

Hoe vaak is er in die twee jaar van hem gestolen? „Bijna nooit.” Hij schudt met zijn hoofd en lacht. „Een appeltje, soms. Schooljongens.”

En geld?

„Nooit. Er wordt eerder te veel dan te weinig betaald. Soms hebben mensen geen geld bij zich en dan komen ze het de volgende dag brengen.” Maar wie nu denkt dat het hier het paradijs op aarde is: het blik zit vast.

Om half drie stopt er een Subaru langs de weg en er stapt een vrouw uit. Lang blauw vest, suède laarzen tot over de knie. Ze heeft een briefje van twintig in haar hand. „Kun je wisselen?”, vraagt ze aan Jan van der Grift.

Hij geeft haar een tientje terug en ze neemt tien kilo jonagolds mee.

„Mooi”, zegt hij als ze wegrijdt. „De laatste van het vorige seizoen.”