Allesbehalve kinderspel

Volwassen acteurs kunnen jaloers zijn op de spontaniteit van hun jongste collega’s. Maar werken met kinderen vergt van regisseurs speciale – en soms gemene – trucs.

De negenjarige Elve Lijbaart is een elfachtig, bleek meisje: om dat zo te houden, werd ze in de zomer van 2012 dagelijks ingesmeerd met zonnebrandcrème factor vijftig. Toen acteerde ze namelijk in Borgman van Alex van Warmerdam. Wat ze zich ervan herinnert? Nou, die kindertent waar ‘een berg speelgoed’ lag en Elve armbandjes en collages maakte. Het veld waar ze zich in het hoge gras kon verstoppen. En kikkertjes vangen, dat was het allerleukste. Acteren? Nou, de scène waarin filmmoeder Hadewych Minis tegen haar schreeuwt over een kapotte teddybeer maakte wel indruk.

Elve speelt in gruwelfilm Borgman de jongste dochter Isolde uit een welvarend gezin dat wordt verwoest door de duivelse Camiel Borgman. Ze ondergaat een operatie en houdt daar een luguber litteken aan over, vermoordt haar filmvader met een giftig glas wijn en gooit een tuinman de schedel in met een stoeptegel. Niet dat het allemaal zo werd uitgelegd, maar Elve is niet dom. Die stoeptegel moest ze bijvoorbeeld naar een camera gooien die op de plek stond waar eerder de tuinman lag met zo’n mooie hoofdwond, getekend door de ‘Wondenman’. „Het was een rubbertegel, maar ik moest net doen alsof die heel zwaar was. Als ik hem te hard op de camera gooide, stuiterde hij weg.”

Elve Lijbaart is onthutsend omdat ze zo kil en emotieloos acteert: typisch voor horrorfilms, en het omgekeerde van wat kinderen normaliter aan een film toevoegen: rauwe en pure emotie. Geen kunstvorm is meer op kinderen gericht dan film, zegt filmmaker Mark Cousins in zijn documentaire A Story of Children and Film, die volgende week in première gaat. Omdat ze emotioneel zo wisselvallig zijn als het weer in Schotland, aldus Cousins. En omdat die emoties zo zichtbaar over hun gezicht golven. Tot jaloezie van volwassen acteurs, die moeten graven, forceren, simuleren. Van volwassenen in het algemeen misschien.

Kinderen en dieren

Tegelijk zijn kinderen lastig te regisseren. „Werk nooit met kinderen en dieren”, is een apocriefe uitspraak van komiek W.C. Fields. Acteren ze eigenlijk wel? Of is het succes van een kindacteur eigenlijk het werk van de regisseur?

Het bedrijf Elske’s Kast is gespecialiseerd in casting en coaching van kindacteurs. Elk script eist een ander kind, weten ze daar. Zo werd Elve voor Borgman gecast om haar „enorme talent om zichzelf te blijven”, zegt casting director Elske Falkena. „Een vlindermeisje dat onverstoorbaar haar gang gaat.” Al ging het bij de eerste casting bijna mis, toen Elve weigerde een telefoonboek op een knuffel te gooien: de stoeptegelscène van Borgman. Falkena: „Dan vink je al onwillekeurig aan: ongeschikt. De opnames duren weken, het is een ramp als een kind er halverwege genoeg van heeft.”

Hoewel elke kindacteur een eigen handleiding heeft, zijn er vuistregels. Zo hoef je ze geen scenario mee te geven. Voor je het weet, gaan ze thuis repeteren en sluipen er verkeerde patronen in, of ‘anticipatie’: dat ze te vroeg reageren op tegenspelers. Kinderen vermoei je ook niet met veel achtergrond of motivatie van hun personage: vertel gewoon wat ze moeten doen. Voor complexe emoties bestaan trucs: ademhalingsoefeningen, afmatten met touwtje springen, onverwachts iets roepen of met de hand op tafel slaan, de ogen wijd opensperren voor tranen. Of ‘Stanislawski-light’: waar moest je toen zo om huilen?

Regisseurs zijn vaak trots op hun trucs. Steven Spielberg vertelde graag hoe hij in Close Encounters of the Third Kind (1977) een snelle serie emoties – angst, verwarring, vrolijkheid – op het gezicht van de kleine Cary Guffey toverde. Eerst ging een kast open met een man verkleed als enge gorilla, daarna een tweede kast met Spielberg als Paashaas, ten slotte deden de heren een mal dansje. Een triomf, maar een week later verloor Spielberg 100.000 dollar toen de driejarige Cary te moe was om uit een vliegende schotel naar zijn filmmoeder te rennen: de enorme set met 200 figuranten moest een dagje wachten.

Het kan gemakkelijk mislopen, zegt Elisabeth Hesemans, die de kinderen op de set van Borgman begeleidde. Zij eist altijd een aparte kindertent waar ze kunnen spelen en zich voorbereiden. Hesemans houdt ook in de gaten wanneer het kind op is. „Ben je uren bezig een filmset uit te lichten, dan is het verleidelijk om het kind te forceren”, zegt ze. „Maar ben je een kind kwijt, dan is dat een ramp. Dan gaat het acteren achteruit en moet je steeds meer trucs verzinnen.” Zoiets dreigde bij de opnames van Dolfje Weerwolfje, waar Ole Kroes iets te langdurig in een zweterig weerwolfpak met opgeplakte snorharen stilzat: de film werd uiteindelijk met drie Dolfjes opgenomen.

Bij Kauwboy van regisseur Boudewijn Koole werd het advies van Elske’s Kast gevolgd en een stand-in gehuurd voor de toen tienjarige acteur Rick Lens voor het tijdrovende en saaie uitlichten van scènes. Koole: „Ik vind het leuk een scène heel precies voor te bereiden, maar voor een kind is dat een hel.”

Van origine documentairemaker, is Koole gespitst op authenticiteit: acterende kinderen gelooft hij niet. „Je ziet ze soms veel takes opnemen, teksten in de studio inspreken, en met plakken en knippen lijkt het dan wel wat.” Hijzelf ziet liever kind en personage samenvallen: desnoods past hij het script aan het kind aan. „Kauwboy is voor 90 procent Rick Lens.”

Koole nam met Kauwboy het ultieme risico: werken met kinderen én dieren tegelijk, met Rick Lens en een nest jonge kauwtjes. „Ik heb heel veel nachten wakker gelegen.” Jojo, de held van Kauwboy, was niet het type „reclame- en musicaljongetje” waarvan Elske’s Kast laden vol heeft: open, expressief, goedlachs en met een Gooise R. Koole zocht een kwetsbaar jochie. Zijn ideale kandidaat stotterde en kwam uit een probleemgezin. „Dat was een te groot risico. Hij moet na een opnamedag thuis goed opgevangen worden.”

Vol bravoure

Vervolgens kwam Elske’s Kast met Rick Lens, die zichzelf had aangemeld. Een heel ander type: druk, vol bravoure,weerbarstig. Koole twijfelde: „Hij was geweldig, maar je neemt zo’n risico. Je legt je film in handen van iemand die nooit acteerde.” Bij Rick thuis wachtte nog een schok: Rick bleek zwaar ADHD te hebben. Koole: „Ik gokte dat uit zijn onhandelbaarheid iets heel moois zou groeien. Rick wilde zó graag.” Het werkte: Rick Lens is indrukwekkend in Kauwboy, al moest ook Koole trucs verzinnen. „Hij is geweldig in woede, dat speelt hij zo in allerlei gradaties. Met ontroering kon hij niets, en het lukte hem pas om tegenspeler Suzanne in het gezicht te slaan nadat ik haar iets gemeens had laten zeggen over de scheiding van zijn ouders. Moest ’ie achteraf wel om lachen.”

Daar ligt ook een moeilijk definieerbare grens: wanneer wordt het manipuleren van emoties schadelijk voor het kind? Koole: „Lastig. Bij Kes, die ook ging over een jongen en zijn vogel, kreeg Ken Loach echte kindertranen door te vertellen dat die vogel dood was. Maar wat doe je daarna, als hij de truc doorheeft? Martelen?”

De vraag is ten slotte wat de filmroem kinderen oplevert. In Amerika heb je de Lindsay Lohans, kindsterretjes die hun jeugd inleveren op de filmset, als tiener uit de bocht vliegen en wrokkig terugkijken op hun verloren kindertijd. Voor zulke uitwassen is de Nederlandse filmindustrie te klein, denken ze bij Elske’s Kast: daar maakten ze tot dusver altijd mee dat kinderen van acteren gezond zelfvertrouwen kregen.

Boudewijn Koole zet een kanttekening: te veel tijd op de filmset kan nooit goed zijn. „Ze kozen je uit 300 jongetjes en elke dag staan 40 man gespannen te kijken wat je doet. Iedereen is aardig, want jij moet je goed voelen. Dat is macht, en veel macht lijkt me niet goed voor een kind.”