Werkland legt het soms af

Melitta Boedeker uit Mülheim an der Ruhr was meer dan elf jaar ‘bedrijfsleider Nederland’ van de Duitse drogisterijketen Schlecker (die vorig jaar failliet ging) toen ze op 19 juni 2006 te horen kreeg dat haar post met ingang van 30 juni van dat jaar zou worden geschrapt. Onder dezelfde condities kon ze met ingang van 1 juli hoofd van de controleafdeling in Dortmund worden.

Boedeker maakte bezwaar tegen de „eenzijdige” beslissing van haar werkgever. Ze verscheen de eerste dag wel op haar nieuwe werkplek, maar meldde zich twee dagen later ziek. Vervolgens ruzieden Boedeker en Schlecker over de vraag of hun conflict onder het (gunstiger) Nederlandse danwel het Duitse arbeidsrecht afgewikkeld moest worden.

De drogisterijreus vindt dat het recht van het land waar het bedrijf is gevestigd dat haar in dienst heeft genomen, de doorslag moet geven. Duitsland derhalve.

Maar kantonrechter en gerechtshof kozen voor het recht van het land waar Boedeker „gewoonlijk” haar arbeid verrichtte, Nederland dus. Schlecker ging telkens in beroep.

Zo belandde het geschil bij de Hoge Raad, die het voor een (bindend) oordeel voorlegde aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Dat bepaalde vorige week dat de nationale rechter bij het beslechten van dit soort conflicten het recht van het land waarmee de arbeidsovereenkomst het nauwst is verbonden kan laten prevaleren, zelfs als de werknemer het werk „gewoonlijk, langdurig en zonder onderbreking” in een ander land verricht.

Het is dus niet zo dat het recht van het werkland, zoals bij grensarbeid in de Europese Unie gebruikelijk is, ook in dit type geschillen automatisch de doorslag geeft.

Tips? Mail naar ecorecht@nrc.nl