Politisering van Prinsjesdag verdoezelt ieders besmette rol

Bijna alle politieke leiders sloten compromissen. Op Prinsjesdag zijn ze dat even vergeten.

Minister Dijsselbloem, met de Rijksbegroting in het koffertje dat hij net van zijn ambtenaren heeft gekregen. Foto David van Dam

Je kunt vandaag twee soorten Prinsjesdag volgen. Er is de formele Prinsjesdag – Troonrede, Miljoenennota, advies Raad van State, etcetera. En er is de strijd over de feiten van Prinsjesdag – de optredens en tactiekjes waarmee de kabinetsplannen, dan wel de kritiek erop, over het voetlicht worden gebracht.

Voorbij is de tijd dat de minister van Financiën het alleenrecht op de feiten van Prinsjesdag had. In zijn eerste tien maanden werd Jeroen Dijsselbloem (PvdA) een klassieke schatkistbewaarder. Minister van nationale zuinigheid. Zo onttrekt hij zich aan de trend van politisering die de hele politiek raakt – ook Prinsjesdag als instituut.

De paradox is dat Dijsselbloem juist daarom minder media-aandacht krijgt dan veel voorgangers. Niet alleen kiezen goed bekeken tv-programma’s vanavond voor andere bewindslieden. Vicepremier Asscher zit in EenVandaag, premier Rutte in Pauw & Witteman; Dijsselbloem zelf alleen in Nieuwsuur.

Binnen de NOS bestaat er al langer ergernis over dat spraakmakende momenten in verkiezingscampagnes bij RTL voorbijkomen. De publieke omroep wil meespelen, vandaar dat men van het Prinsjesdagdebat een nieuw instituut probeert te maken. Het is tekenend dat de publieke omroep vanavond op prime time een debat met de fractieleiders van de zes grootste partijen uitzendt. Omroeppolitiek met gevolgen voor de Haagse politiek.

En vandaar dat vanavond op prime time niet de bezonken taal van het bestuur wordt gesproken, de zuinigheid van Financiën, maar de taal van het politieke conflict. Strijd in plaats van samenhang, verzorgd door zes fractieleiders: vier gezichten van de oppositie (Wilders, Roemer, Buma, Pechtold) tegenover twee dragers van de coalitie (Zijlstra, Samsom).

Tegelijk illustreren deze zes, en vooral de vier oppositievertegenwoordigers, hoezeer de geloofwaardigheid van politieke leiders is aangetast door de snel wisselende coalities van de laatste jaren. Allemaal lijden ze in meer of mindere mate aan het probleem dat vooral Rutte wordt verweten: dat ze in het recente verleden, onder andere omstandigheden, andere keuzes maakten dan ze nu zo stellig verdedigen.

Wilders gedoogde met zijn PVV Rutte I. Dat kabinet verhoogde de lasten en nam naleving van Europese begrotingsnormen in zijn programma op – nu Wilders’ twee voornaamste punten van kritiek.

Roemer kroop in de campagne van 2012 zo dicht naar de middenpartijen toe dat de SP in zijn programma bezuinigingen opnam die volgens CPB-prognoses in 2014 uitkwamen op een tekort van 3,1 procent. Nu verwijt de SP het kabinet, dat uitkomt op 3,3 procent in 2014, dat het de economie kapot bezuinigt.

CDA’er Buma tekende voor de lastenverzwaringen van Rutte I en het Lenteakkoord. Die zijn de bulk van de lastenstijgingen waartegen hij nu te hoop loopt. En Pechtold (D66) initieerde ditzelfde Lenteakkoord.

Maar ook Samsom heeft een dubbelzinnige positie: hij keerde zich vorig jaar, samen met Dijsselbloem, tegen het Lenteakkoord, dat de PvdA vijf maanden later in de formatie grotendeels omarmde. VVD-fractieleider Zijlstra hopte, met Rutte, zonder problemen van Rutte I (met CDA, PVV) via de Lentevijf (met CDA, D66, ChristenUnie, GroenLinks) naar Rutte II (met de PvdA).

Al deze partijleiders legden de laatste jaren een flexibiliteit aan de dag vergelijkbaar met die van Rutte. En de politisering van Prinsjesdag, een fel debat dat nuchtere feitenweergave vervangt, is de ideale figuur om dit te maskeren.