Niemand wist wanneer er een einde aan zou komen

Vandaag verschijnt de rijksbegroting voor 2014 Het zijn barre economische tijden, net als dertig jaar geleden Hoe was het toen om werkloos te zijn en hoe is dat nu?

Verslaggevers

Lichtvoetig is hij niet te noemen. De Miljoenennota is zwaar op de hand, tegen het tobberige aan.

‘De voorspelde economische opleving heeft langer op zich laten wachten dan voorzien’, sombert het kabinet direct al in de inleiding. Het verwachte ‘bescheiden internationaal economisch herstel’ is helaas uitgebleven. Een ‘sterke toeneming van de werkloosheid’ is daar het gevolg van. En de Nederlandse economie is ‘verstard’ geraakt.

Er is maar één conclusie mogelijk: verder bezuinigen. Zowel van werkenden als uitkeringsgerechtigden wordt een inkomensoffer gevraagd. Salarissen in de (semi-)publieke sector moeten omlaag. Uitkeringen worden versoberd. Iedereen moet inleveren.

Nee, nrc.next had de Miljoenennota dit jaar niet als eerste in handen. Bovenstaande citaten komen uit de Miljoenennota van dertig jaar geleden, de toelichting op de Rijksbegroting voor het jaar 1984. Een jaar waarin het eerste kabinet Lubbers bijna 12 miljard gulden ging bezuinigen. De werkloosheid was met meer dan 10,7 procent decennialang niet meer zo hoog geweest. Het land zat in een crisis waar geen einde aan leek te komen.

Maar deze woorden hadden niet misstaan in de Miljoenennota die minister van Financiën Jeroen Dijsselbloem vanmiddag, precies dertig jaar later, in hetzelfde historische bruine koffertje aan de Tweede Kamer zal aanbieden.

Komend jaar staat Nederland ook weer een reeks bezuinigingsmaatregelen te wachten. Die moeten samen 6 miljard euro opleveren. De werkloosheid is met 8,7 procent sinds de jaren tachtig niet meer zo hoog geweest. En de vooruitzichten zijn slecht.

Een economische crisis is ieders probleem. Maar wie op het punt staat met zijn ‘echte’ leven te beginnen, staat voor een extra opgave. Want het zijn starters die overal achter het net dreigen te vissen: ze vinden geen baan, kunnen daardoor geen huis kopen en zijn te onervaren als de arbeidsmarkt weer aantrekt. Een achterstand die niet meer in te halen valt, is dan de vrees.

Hoe was het dertig jaar geleden om het leven te beginnen in zulke barse economische omstandigheden? En hoe is dat nu?

Zinnige tijdsbesteding

De vorige grote crisis had een duidelijk gezicht. En dat gezicht stond op onweer. De bezuinigingsplannen leidden dertig jaar geleden tot massale stakingen en demonstraties. De brandweer zette het Binnenhof en de hal van het ministerie van Binnenlandse Zaken vol schuim. Het openbaar vervoer ging plat. Werknemers van postbedrijf PTT stonden te sjoelen tussen bergen postzakken. In Amsterdam en Rotterdam stapelde het vuilnis zich op straat op.

De protesten, zo vertelt de voice-over van het NOS-jaaroverzicht uit 1983, zijn „vooral een uitlaatklep voor de uitkeringsgerechtigden.” Op een overvolle Dam in Amsterdam grijpt een van hen de microfoon en roept op tot collectieve actie: „Het is een eerste noodzaak om als arbeiders en uitkeringsgerechtigden schouder aan schouder te staan.”

Het was een tijd waarin „lichte paniek” heerste, zegt Jan van Ours, hoogleraar arbeidseconomie aan de Universiteit van Tilburg. De werkloosheid steeg maar door – iedere maand kwamen er duizenden nieuwe werklozen bij. „Wanneer zou daar een einde aan komen? Dat wist niemand.” De generatie die op de drempel van de samenleving stond, wist niet wat haar overkwam. De vooruitgangsgedachte – ‘we krijgen het beter dan onze ouders’ – die vanzelfsprekend was geworden, stond ineens niet meer zo vast. Reden voor actiegerichte jongeren om zichzelf uit te roepen tot de ‘no future-generatie’.

De uitzichtloosheid klinkt door in een aflevering van de VPRO-serie Tijdsverschijnselen, uitgezonden in 1982. „Alom klinkt de gedachte dat de toekomst er voor de nieuwe generatie somber uitziet”, aldus presentator Ad ’s Gravesande. „Geen doel. Geen werk. Geen toekomst. Wat moet je tegenwoordig nog als je van school komt?” Weinig, denkt het grootste deel van de vijftig jongeren in de studio. Naar school gaan is niet nuttig, want „je komt toch niet aan de bak”, zegt een jongen met een sigaret, snor en een wilde bos krullen. „Ze vragen om ervaring. Maar die kun je nergens opdoen.”

Dus restte hen niks anders dan werkloos zijn. En hoewel dat natuurlijk een klein persoonlijk drama is, stonden daar destijds ruime sociale voorzieningen tegenover. „Want werkloos zijn is al erg genoeg, was de redenering toen”, zegt hoogleraar Van Ours. Behalve met werk scheppen was de overheid bezig met de vraag hoe de werklozen van straat gehouden konden worden. Een zinnige tijdsbesteding zou de protestdrang dan hopelijk wegnemen.

Eind jaren tachtig slonk de werkloosheid weer tot onder een beheersbare 8 procent, mede door ingevoerde arbeidsduurverkorting en een aantrekkende economie. Maar de crisis is nog lang aan de werklozen van toen blijven kleven – de ‘verloren generatie’, werd deze groep achteraf genoemd.

Nieuwe uitdaging

De werklozen van nú kijken wel uit de straat op te gaan. Bovendien zíjn ze niet eens echt werkloos – liever noemen ze zich ‘in between jobs’ en zijn ze ‘op zoek naar een nieuwe uitdaging’. Of ze verklaren zichzelf gewoon tot zelfstandige zonder personeel. Dat klinkt tenminste nog ergens naar. Het aantal geregistreerde zelfstandigen is de afgelopen vijf jaar met ruim 300.000 toegenomen tot 728.000, becijferde het Centraal Bureau voor de Statistiek.

„Toegeven dat je werkloos bent, is toegeven dat je gefaald hebt, vinden sommigen”, zegt Fabian Dekker. Hij is onderzoeker bij het Verwey-Jonker Instituut en deed recent onderzoek naar jeugdwerkloosheid in Nederland. Liever proberen ze zichzelf te redden. En met een groot werklozenleger naar Den Haag trekken om even lekker te protesteren, past daar niet bij.

En áls ze dat al zouden doen – waar moeten ze dan eigenlijk precies tegen in actie komen? Dat, zegt Dekker, is niet meer zo helder als dertig jaar geleden. „De crisis van nu is internationaal en ongrijpbaar. Op nationaal niveau kunnen politici niet zo veel doen om die op te lossen. En dat realiseren jonge werklozen, met name hoogopgeleide, zich ook.”

Tegelijk wordt er ook meer van werklozen geëist dan dertig jaar geleden. Een beetje afwachten is er niet meer bij. Zowel de duur als de hoogte van de werkloosheidsuitkeringen is sindsdien verlaagd. Het is nu dus alleen al uit financiële overwegingen zaak om snel een baan te vinden – zeker voor jongeren, die door hun korte of niet-bestaande arbeidsverleden nog nauwelijks rechten hebben opgebouwd.

Ondanks de aanhoudende crisis en het wat grimmige kortetermijnperspectief, is een nieuwe no future-generatie nog niet verrezen. Sterker nog: jongeren lopen over van vertrouwen, blijkt uit onderzoek van het Nibud onder jongeren tot 24 jaar van vorig jaar. Tweederde verwacht makkelijk een goede baan te krijgen en het verwachte inkomen wordt ‘onrealistisch hoog’ ingeschat, schrijft het Nibud. De helft van de ondervraagden denkt het beter te krijgen dan hun eigen ouders.

Jeugdige overmoed? Misschien niet. Hoogleraar Van Ours wijst erop dat het hier nog lang niet zo erg is als elders. Nederland zit qua werkloosheid nog altijd onder het gemiddelde van ontwikkelde landen, blijkt uit cijfers van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). En de werkloosheid mag volgend jaar volgens het Centraal Planbureau nog verder oplopen door de nieuwe bezuinigingen, de economie als geheel zal wél iets aantrekken. Bovendien gaat de babyboomgeneratie de komende jaren geleidelijk met pensioen.

En die verloren generatie? Daar is het uiteindelijk best goed mee afgelopen, blijkt uit onderzoek van Van Ours. Het duurde misschien een tijdje, maar uiteindelijk bleef de permanente schade beperkt – en was hun arbeidsparticipatie zelfs hoger dan gemiddeld.