‘Minder mensen eten meer vlees’

◯ Waar ◯ Grotendeels waar ◯ Half waar ◯ Grotendeels  onwaar ◯ Onwaar

Hans Baaij en Jan Terlouw eind vorige week in Trouw

De aanleiding

De Nederlander mag wel wat minder vlees eten, vinden Hans Baaij en Jan Terlouw. Afgelopen donderdag maakten zij zich in een opinieartikel in Trouw sterk voor een vleestaks. „Hoewel het aantal vegetariërs, al dan niet in deeltijd, gestaag toeneemt, is de consumptie van vlees de afgelopen tien jaar nauwelijks afgenomen. Die bedraagt nu 85 kilo karkasgewicht per persoon per jaar. Minder mensen zijn dus steeds meer vlees gaan eten.” Wij checken of minder mensen inderdaad meer vlees zijn gaan eten.

En, klopt het?

In het stuk staat geen bron voor de uitspraken. Hans Baaij, voorzitter van stichting Dier&Recht en Varkens in Nood, verwijst voor de herkomst van de informatie in het stuk naar verschillende bronnen. De beredenering is verder simpel: meer mensen zeggen vaker geen vlees te eten, maar per hoofd van de bevolking wordt er ongeveer evenveel geconsumeerd – dus de rest moet wel meer eten.

De hoeveelheid „vegetariërs, al dan niet in deeltijd” neemt volgens Baaij en Terlouw „gestaag” toe. Volgens Baaij is dit „algemeen bekende informatie”, die bijvoorbeeld te vinden is bij Natuur en Milieu . Deze stichting besteedt veel aandacht aan de ‘flexitariër’. Dat is het steeds vaker gebruikte (en door Baaij en Terlouw wellicht met opzet vermeden) woord voor ‘deeltijdvegetariërs’. Dat ben je trouwens zo, volgens Natuur en Milieu. „Eet jij minstens eens per week geen vlees? Dan ben ook jij flexitariër!”, vermeldt de site. In opdracht van Natuur en Milieu vroeg onderzoeksbureau Motivaction 1.666 Nederlanders tussen de 16 en 65 jaar naar hun vleesconsumptie. Het aantal dagen dat Nederlanders vlees eten is het afgelopen jaar gedaald ‘van gemiddeld 5,7 naar 5,3 dagen per week’, blijkt uit dat onderzoek.

Ook het onderzoeksinstituut LEI van de Universiteit Wageningen (WUR) doet onderzoek naar het eten van vlees. In het rapport Vlees vooral(snog) vanzelfsprekend, waarvoor 1.253 mensen werden geïnterviewd, wordt uitgelegd dat minderen in Nederland „geen marginaal verschijnsel” is. Het aantal vleesminderaars, dat ben je als je minstens een dag per week geen vlees eet, steeg in twee jaar (tussen 2009 en 2011) met meer dan 10 procent naar 77,1 procent. Het aantal mensen dat WUR ‘vleesminnaars’ noemt, bij wie elke dag vlees op het menu staat, neemt in vergelijking met 2009 flink af, van 26,7 procent naar 18,4 procent. Het aantal vegetariërs en veganisten is in tien jaar licht toegenomen van zo’n 3,5 procent tot ruim 4,5 procent op dit moment.

Het aantal ‘gewone’ vegetariërs is dus zeer licht toegenomen, maar vooral de groep ‘deeltijdvegetariërs’ is groeiende. Dan is er nog het karkasgewicht. Het Productschap Vee en Vlees berekent het vleesverbruik in Nederland. Baaij en Terlouw (oud-D66-policiticus, en ambassadeur van Varkens in Nood) noemen 85 kilo karkasvlees per hoofd van de bevolking. Dat is niet helemaal correct. Volgens een woordvoerder van het Productschap lag het verbruik per hoofd van de bevolking op 83,7 kilo. Nu wordt niet het hele karkas verorberd, de botten en snijafval zitten ook bij dit gewicht in. De daadwerkelijke consumptie is ongeveer de helft. In 2011 was dat karkasgewicht iets meer: 84,6 kilo. Helemaal stabiel is het gewicht dus niet, maar de daling is gering. Meer mensen zeggen dus dat ze minder vlees eten, en de hoeveelheid geconsumeerd vlees neemt bijna niet af.

„Dit levert een paradox op”, zegt Hans Dagevos, consumptiesocioloog aan de WUR. Dagevos ziet drie verklaringen voor dit verschijnsel.

Allereerst kan het zo zijn dat wat mensen invullen in een enquête, niet altijd overeenkomt met de realiteit. „Een heel bekend verschijnsel.” Het kan zijn dat er sociaal gewenste antwoorden worden gegeven, maar het kan ook door inschattingsfouten komen. De respondenten hielden geen voedseldagboek bij, dus foutjes kunnen erin sluipen Daarnaast vermoedt Dagevos dat de vleesminderaars compensatiegedrag vertonen. „Misschien eten ze een of twee dagen geen vlees, en nemen ze daarna een dikke T-bonesteak.” Ten slotte, en dit is het effect dat Baaij en Terlouw noemen, kan het zo zijn dat er een tweedeling ontstaat in de maatschappij tussen mensen die veel en relatief weinig vlees eten. Tegenover de groep die mindert staat er dan dus een groep die ‘meerdert’. Er zijn wel bewijzen in die richting, zegt Dagevos. Zo is al gesignaleerd dat mensen die ’s avonds relatief veel vlees eten, dat tijdens lunch of ontbijt vaak ook doen.

Conclusie

Hans Baaij en Jan Terlouw stellen in een opinieartikel in Trouw dat het aantal mensen dat minder vlees eet stijgt. In onderzoek blijkt dat respondenten inderdaad zeggen minder vlees te eten. Zo is het aantal mensen dat minder vlees eet in twee jaar met 10 procent gestegen, tot 77,1 procent. Daarnaast blijft het karkasgewicht, de hoeveelheid geconsumeerd vlees per hoofd van de bevolking, met 85 kilo gelijk, zeggen Baaij en Terlouw.

Dit aantal is net wat overmoedig. Het Productschap Vee en Vlees komt uit op 83,7 kilo. Baaij en Terlouw zeggen vervolgens dat de cijfers moeten betekenen dat minder mensen meer vlees eten. Hans Dagevos, consumptiesocioloog aan de WUR, ziet nog twee mogelijke verklaringen. Het zou kunnen dat respondenten enquêtes niet helemaal juist invullen. Daarnaast zou het kunnen dat vleesminderaars compenseren. De ene dag vegetarisch, de andere dag extra veel vlees als ‘beloning’. De uitspraak dat minder mensen meer vlees eten is dus niet de enige verklaring. We beoordelen de uitspraak daarom als half waar.