Koning maïs

Schrijfster Pia de Jong verhuisde met haar gezin van Amsterdam naar Princeton, in de Verenigde Staten. Ze schrijft wekelijks over wat haar opvalt.

Illustratie Eliane Gerrits

‘Amanda eet alleen grassfed beef”, vertelt de moeder wanneer ze haar dochter komt brengen om te spelen. Ik ben er inmiddels aan gewend dat kinderen met uitgebreide instructies komen – alleen organisch eten, geen snoep, gluten of zuivel, geen video’s van Miley Cyrus bekijken –, maar deze kende ik nog niet.

„Natuurlijk”, zeg ik. „Koeien eten gras. Wat anders?”

„Zo natuurlijk is dat niet”, zegt ze. „Ik zou me er maar eens in verdiepen.”

In heel Amerika is rundvlees in grote hoeveelheden spotgoedkoop te verkrijgen in elke supermarkt – een slagerij heb ik hier nog niet gevonden – maar vlees van koeien die gras hebben gegeten ligt apart en is drie keer zo duur. Net als de melk van deze koeien. Pasture raised cow’s milk.

Wat eten die andere koeien dan? Koeien zijn toch gemaakt om gras te verteren? Op de basisschool leerde ik al over de pens, de net-, de boek- en de lebmaag.

Inmiddels heb ik het antwoord: die eten genetisch gemanipuleerde maïs. Niet die zoete maïs die we met boter en zout van de kolf eten, maar een harde, smakeloze maïssoort. Deze is makkelijk te verbouwen, groeit als kool in uiteenlopende weersomstandigheden, is goed te bewaren en overal voor te gebruiken. President Bush jr. gaf het startschot voor de wet die met 190 miljard dollar subsidies boeren aanzet zoveel mogelijk maïs te produceren. „We zijn goed in maïs verbouwen, laten we dat dan ook doen”, speechte hij. Op 35 miljoen hectare waaien nu de goudgele kolven, voornamelijk in het Midwesten, waar voorheen koeien graasden.

En de koeien dan? Die staan nu ergens naast die velden geparkeerd, zo dicht op elkaar dat ze geen stap kunnen zetten. Hoe minder ze bewegen, hoe sneller ze groeien. Ondertussen verorberen ze maïs waar hun magen geen raad mee weten. De arme koeien worden doodziek, maar omdat ze nog even door moeten groeien voor de slacht (in 120 dagen), wordt er grif antibiotica over de voederbakken gespoten.

De documentaire King Corn volgt twee jongens die na hun studie besluiten een jaar naar Iowa te gaan, waar de grootvader van een van hen zijn leven lang boerde. Aldaar planten ze een veldje maïs en volgen de planten van graantje tot eindproduct. Ze vallen van de ene in de andere verbazing over de gang van zaken in het moderne boerenbedrijf. Ergens halverwege de film zie je ze verbijsterd kijken naar een veld met daarop honderdduizend koeien. Het is een indrukwekkend beeld, al die koeien die daar in de schemering dicht op elkaar gepakt staan. Amerika wil elk moment van de dag, waar dan ook, goedkoop een hamburger kunnen eten. Over 99 billion served. Hier staan ze.

Maar wat gebeurt er met de rest van deze zwaar gesubsidieerde, in overschotten geproduceerde maïs? Die wordt ingekookt tot siroop met een hoog fructosegehalte en verkocht aan de voedingsindustrie. Er is nauwelijks nog een product te vinden in de supermarkt waarin dit niet is verwerkt. Van mayonaise tot ketchup, van soep tot koekjes. En bovenal frisdranken. Overal zit het in, dit mierzoete spul dat grotendeels verantwoordelijk is voor de diabetesepidemie. Nooit in de geschiedenis van de mensheid was er zoveel voedsel beschikbaar en nooit gaf men er zo weinig geld aan uit.

Amerika loopt op maïs. En net als de koeien wordt het er ziek van. Slechts de enkele bevoorrechten, zoals het vriendinnetje Amanda, kunnen daaraan ontsnappen.